Aardrijkskunde hoofdstuk 4 Het mondiale klimaatvraagstuk

Aardrijkskunde hoofdstuk 4 Het mondiale klimaatvraagstuk
1. Oriëntatie
3 vragen:
1. Zijn er aanwijzingen dat het klimaat op aarde verandert?
Het wereldklimaat is geen vast gegeven. We kunnen de verandering zien aan de omvang
van ijskappen en gletsjers op aarde. Het warmer worden van de aarde zal zorgen dat
natte gebieden natter worden en droge gebiede droger. Extreme weersituaties zoals
hittegolven, hevige plensregens of langdurige droogte zullen meer gaan voorkomen.
2. Welke natuurlijke en menselijke oorzaken kunnen voor klimaatverandering zorgen?
Vroeger hebben alleen natuurlijke factoren gezorgd voor veranderen, nu heeft ook de
mens er invloed op.
3. Welke maatregelen moeten genomen worden om klimaatveranderingen te beperken?
Veel mensen op aarde zullen lijden onder de negatieve gevolgen van meer warmte, meer droogte, meer
stormen en mer overstromingen van rivieren. Ook de zeespiegel stijgt. De uitstoot van CO2 zal door
allerlei maatregelen minder moeten worden. Belangrijk is de groei van duurzame energie
zonder uitstoot van broeikasgassen.
2. Klimaatveranderingen opsporen
2.1 Gletsjers en ijskappen als thermometers
Accumulatie tegenover afsmelten
Gletsjers en ijskappen kunnen de trend, over een aantal jaren, van het klimaat aangeven.
IJsmassa’s worden gevormd door sneeuw die door de druk van het gewicht en bevriezing
wordt omgezet in een geheel aan elkaar gekitte ijskristallen.
Er is toevoer in het sneeuwseizoen vooral in winter en afvoer in het afsmeltseizoen vooral in
zomer. Bij afvoer worden riviertjes gevoed. De verhouding tussen toevoer en afvoer bepaalt
of er sprake is van gelijk blijven, oprukken of terugtrekken van ijsmassa’s.
Een verandering in de omvang van gletsjers of ijskappen duidt op een klimaatverandering.
Vb. Terugtrekken van gletsjers kan door: hogere temperatuur > meer afsmelten van ijs / minder neerslag >
geringere toevoer
Stabiele massabalans/gelijkblijven: Toevoer = afvoer
Positieve massabalans/oprukken: Toevoer > afvoer
Negatieve massabalans/terugtrekken: Toevoer < afvoer
IJskappen en gletsjers reageren verschillend op het klimaat
Een (dal)gletsjer
– Alleen in hooggebergtegebied met neerslag in de vorm van sneeuw
– Duidelijk van elkaar gescheiden accumulatiegebied en afsmeltgebied. Scheiding =
sneeuwgrens
– Accumulatiegebied: aangroei domineert. Witte sneeuw blijft het hele jaar liggen > ijs.
– Afsmeltgebied: afsmelten domineert. Sneeuw verdwijnt in het afsmeltseizoen. In de
zomer vaak wat donkerdere sneeuw door stof en gesteentegruis.
– De (stroming van) gletsjer schuurt brede dalen uit
– Kleine omvang en grote klimaatgevoeligheid: reageren relatief snel op
klimaatveranderingen
Een ijskap
– Grote aaneengelaste massa ijs
– Koud polair klimaat
– Onafhankelijk van de ondergrond soms gedeeltelijk boven zee (= shelf)
– Vb. Groenland en Antarctica
– Het is een groot accumulatiegebied met aan de randen een afsmeltgebied
– Er kunnen ijsbergjes op zee ontstaan door afkalving van ijs
– Door de grootte reageert’ie meestal relatief traag op klimaatverandering
– Een afname van landijsbedekking betekent meestal een temperatuurstijging
Gletsjers en ijskappen op aarde krimpen
Vanaf 1850 is de lengte van veel gletsjers duidelijk afgenomen. Sommige hebben zich
kilometers teruggetrokken en sneeuwgrenzen liggen hoger. De sneeuwgrens in de Alpen zal aan
het einde van deze eeuw 200 tot 400 meter hoger komen te liggen
De laatste jaren wordt duidelijk dat er sprake is van een afname van landijsbedekking op
Groenland. Deze zal blijven slinken en op den duur verdwijnen.
Antarctica verliest door een toename van afkalving toch netto massa waardoor de
ijsmassa gaat krimpen. Dit gebeurt niet door afsmelten, daar is het op Antarctica te koud
voor.
2.2 De klimaten van het geologische verleden
Vanaf ongeveer 1860 hebben we doorlopende meetreeksen ten aanzien van de
temperatuur op aarde. Daar blijkt uit dat de temperatuur geleidelijk is toegenomen. Het is
moeilijk te voorspellen of dit zo doorgaat. Voor klimaatvoorspellingen is het nodig om over
een veel langere periode gegevens te hebben, bijv. uit het geologisch verleden: de
paleoklimaten. Hierbij zorgen alleen indirecte bronnen voor informatie.
1. Aanwijzingen uit historische bronnen
Historische bronnen kunnen op tal van manieren aanwijzingen geven over het klimaat op
de historische tijdschaal.
I Boekhoudingen betreffende de inning van tolgelden
Tolgelden liepen terug > scheepvaart lag stil (ijs op water belemmerende factor) Hoe langer het uitblijven van
tolgelden duurde, hoe langer de winter duurde > indicatie voor koude periode
II Verslagen van graanprijzen
Veel graan > lage prijzen: gunstige klimatologische situatie
Weinig graan > hoge prijzen: minder gunstig
2. Aanwijzingen uit biologische bronnen
– Pollenanalyse
Pollen zijn stuifmeelkorrels van planten, ze zijn zeer goed houdbaar. Deze komen vaak voor in afzettingen
die veen of klei bevatten. Ze geven een indruk van de vegetatie in een bepaalde tijd
– Boomringen
Alleen bij bomen in klimaten met duidelijke seizoensverschillen in temperatuur en/of neerslag. De
wisselingen in groeisnelheid maken het herkennen van jaarringen mogelijk. In het algemeen kun je zeggen
dat hogere temperaturen en meer neerslag een boom beter laten groeien: dan wordt de groeiring breder.
3. Aanwijzingen uit geologische bronnen
– Uitgeboord materiaal van ijskappen
In bijv. Groenland, Antarctica of hooggebergten. Door de luchtbelletjes die in de ijskernen
opgesloten te analyseren, wordt er veel ontdekt over de samenstelling van gassen in de
lucht in het verleden. De zuurstof geeft ons informatie over de temperatuur. De precieze
verhouding 16O licht zuurstofatoom en 18O zwaar zuurstofatoom is sterk afhankelijk van de
temperatuur op aarde. Als die hoog is verdampen er in het zeewater relatief veel zware zuurstofatomen
die via wolkvorming en neerslag in de vorm van sneeuw in de ijskappen terechtkomen. Als die laag is zal
vooral de lichte vorm van zuurstof verdampen en blijven de zware zuurstofatomen in het zeewater achter.
Aan de hand van de samenstelling van zuurstof in ijskernen zijn op deze manier warme en
koude perioden van elkaar te onderscheiden.
– Geologische afzettingen en landschapsvormen
Op zeer lange tijdschaal (geologische tijdschaal) geven ze informatie. Bijv. de afzettingen
tijdens de ijstijd door landijs of gletsjers gevormd. In NL vormen de stuwwallen een vb. Dit zijn heuvels van
rivierzand en grind die door ijs omhoog geduwd zijn. Ook keileemlagen en grote zwerfstenen wijzen op de
vroegere aanwezigheid van landijs.
3. De natuurlijke oorzaken van klimaatveranderingen
De ijstijden uit het verleden geven aan dat een klimaatverandering door natuurlijke
factoren niet abnormaal is en dus bij het aardse systeem hoort.
3.1 Meer of minder zonnestraling
Externe variabiliteit
Verandering in hoeveelheid zonnestraling is een van de sturende mechanismen
belangrijkste veroorzakers van wijzigingen in het klimaat. Deze factor heeft van buitenaf
invloed op de stralingshuishouding van de aarde en zorgt zo voor externe variabiliteit van
het klimaat.
Twee soorten oorzaken voor meer of minder zonnestraling:
1. Schommelingen in de helderheid van de zon
De stralingsintensiteit van de zon is niet volstrekt constant. De zon heeft zo nu en dan
donkere vlekken (zonnevlekken) waardoor de zon meer kortgolvige straling uitstraalt. Door
satellieten weten we dat om de 11 jaar er een actieve periode is met veel zonnevlekken.
2. Veranderingen in de aardbaan en aardas
De afstand tot de zon, en de helling van de aardas bepalen de hoeveelheid zonne-energie
die een plaats op aarde ontvangt.
I De vorm van de aardbaan om de zon verandert
Deze is niet constant en verandert in de loop van de tijd van de tijd van elliptisch naar
cirkelvormig en dan weer terug. Hiermee komt de aarde soms dichterbij of verder weg van
de zon te staan.
II De scheefheid van de aardas verandert
De hoek van de aardas met het vlak waarin de aarde om de zon draait schommelt tussen
65,5° en 68,5°. De mate van scheefheid van de aardas heeft invloed op de verdeling van
de hoeveelheid zonnestralen tussen hoge en lage breedten en tussen zomer en winter.
Hoe schuiner de aardas, hoe meer zonnestralen naar de hoge breedten > warme zomers

opbouw van ijs wordt belemmerd.
Aardas rechtop > situatie andersom: hoge breedten krijgen minder zonnestraling > zomers
relatief koud > minder ijs smelt af dus meer vorming van ijskappen
De klimaatgrafiek van Milanković
Milanković was een van de eersten die heeft uitgerekend wat het resultaat is van de
veranderingen in de aardbaan en de aardas. Zijn klimaatgrafiek vormt de basis voor een
ijstijdtheorie die het ontstaan van ijstijden en Kwartaire klimaatveranderingen kan
verklaren.
ZIE BRON 25 BLZ 92 ERG BELANGRIJK VOOR Milanković
Interglaciaal = warmere periode
IJstijd = koudere periode
3.2 Veranderingen in de atmosfeer
Als er een verandering plaats vind in de samenstellende stoffen in de atmosfeer worden
de stralingsbalans en de energiebalans van de aarde beïnvloed.
2 belangrijke natuurlijke factoren die voor externe variabiliteit van het klimaat kunnen
zorgen:
1. Een toename van vulkanische activiteit
Vulkanisme heeft bij veel as een verlagend effect op de temperatuur door de asdeeltjes in
de lucht die zorgen dat er minder straling van de zon het aardoppervlak bereikt. Dit is
vooral zo bij sterk explosief vulkanisme.
Het is ook mogelijk dat een uitbarsting zorgt voor opwarming, door de hoeveelheid CO2 er
in de lucht komt.
2. Inslagen van meteorieten
Bij een meteorietinslag wordt er kratermateriaal hoog de lucht in geworpen: er komt
wereldwijd een concentratie stof van verpulverd gesteente in de atmosfeer. Dit kan leiden
tot een sterk afkoelend effect op het aardoppervlak: een meteorische winter mogelijke daling
tot 40°
Aan het eind van het Krijt is er waarschijnlijk ook een meteorietinslag geweest die een
catastrofale klimaatverandering tot gevolg had en veel organismen deed uitsterven.
3.3 Veranderingen op aarde
1. Verandering van het reflectievermogen van het aardoppervlak
De mate van reflectie van kortgolvige straling van de zon wordt door meer of minder
sneeuw beïnvloed. Hoe lichter het aardoppervlak: hoe meer straling teruggekaatst.
2. De ligging van continenten en de loop van zeestromen
Voor het ontstaan van ijskappen vormen de ligging van continenten en de loop van
zeestromen belangrijke conditionele factoren: aan deze voorwaarden moet voldaan
worden. Bv. Groenland kon pas toen Europa, Azië en Noord-Amerika rondom de Noordpool kwamen te
liggen en de toestroming van warm oceaanwater vanaf de evenaar verminderde
3. De glaciale wip
= de ijstijdtheorie die de afwisseling van ijstijden en interglacialen door bewegingen in de
aardkorst verklaart.
BRON 28 BLZ 94 IS BELANGRIJK (EN IS UITLEG GLACIALE WIP)
4. El Niño
De complexe wisselwerking tussen de oceaan en de atmosfeer zorgt voor interne
variabiliteit van het klimaatsysteem. Bv. El Niño.
4. De mens verandert het klimaat
4.1 Versterking van het broeikaseffect
Menselijke invloeden op het aardoppervlak en de atmosfeer zijn niet meer lokaal, maar
wereldwijd tot invloed. We zorgen voor toename van de concentratie CO2 en andere
broeikasgassen CH4, N2O in de atmosfeer.
De extra uitstoot van broeikasgassen zorgt voor een versterking van absorptie van de
langgolvige straling van de aarde. Het natuurlijke broeikaseffect maakt de aarde woonbaar. Het
versterkt broeikaseffect zorgt voor een stijging van de temperatuur op aarde.
CO2 = koolstofdioxide
CH4 = Methaan
N2O = lachgas
4.2 Wat doet het systeem aarde met de extra toevoer van CO2?
De koolstofbalans is belangrijk om te weten of de aarde zo’n grote toevoer broeikasgassen
wel aankan. De koolstof (CO2) is in een aantal reservoirs opgeslagen: de atmosfeer, de
oceaan, de bodem, de planten en de fossiele brandstoffen. De stromingen tussen de
reservoirs zijn van belang voor opname en afgifte van CO2.
1. Stromingen van CO2 tussen de atmosfeer en de bovenlaag van de oceaan
Er wordt hierbij gestreefd naar een evenwichtssituatie wat CO2 concentratie betreft.
Neemt de CO2 in de atmosfeer toe, lost er CO2 op in de bovenlaag van het oceaanwater.
De opnamecapaciteit is niet heel groot, maar opslag in de diepere oceaan is ook mogelijk:
– Op een snelle manier gebeurt dit in de afzinkgebieden op hoge breedten. Deze
functioneren als diepwaterpomp en zorgen dat het afgekoeld en zout water naar
beneden duikt. In koud water kan veel CO2 oplossen, dit maakt de afzinkgebieden in
de noordelijke Atlantische Oceaan erg belangrijk.
BRON 33 EN 34 BLZ 99
– Op een langzame manier:
– Fotosynthese stelt CO2 vast in het fytoplankton in de zee. Voedselketen geeft het
door aan andere zeeorganismen. Afsterven > organische deeltje dwarrelen naar de
bodem en vormen een organisch slib dat omgevormd kan worden tot aardolieachtige
producten.
– Koolstof in zeewater kan ook gebruikt worden voor opbouw van kalkskeletten.
Afsterven > dwarrelen naar de bodem en werken mee aan de opbouw van lagen
organische kalksteen CaCO3 Pas wanner de kalksteenlagen betrokken worden bij
gebergtevorming en later worden afgebroken komt de CO2 weer vrij.
2. Stromingen van CO2 tussen de atmosfeer en het landoppervlak
Op het land verloopt de CO2opname en -afgifte van de atmosfeer via organisch materiaal:
– Snelle opname en afgifte gebeurt door levende organismen. Door fotosynthese komt
CO2 in planten terecht en maakt daarmee glucose. Als je hout verbrandt komt de CO2
weer vrij. Via de voedselketen komt het bij de mensen terecht. Door ademhaling komt
de CO2 weer terug in de atmosfeer. Oude bossen hebben evenwicht tussen opname en afgifte,
jonge bossen nemen meer op. Ze hebben een grote invloed op de concentratie CO2 in de atmosfeer.
– In de bodem is in de loop der tijd een forse hoeveelheid koolstof opgeslagen. Dit is erin
gekomen door plantenafval dat door bodemdieren de grond in is gebracht > leidde tot
humuslaag. Zuurstof en zonlicht zorgen dat koolstof weer langzaam terug gaat naar de
atmosfeer. Wanneer het afval in een moerasachtige zuurstofarm milieu komt, ontstaan
er veellagen en wordt koolstof aan de kringloop onttrokken. Bij verbranding van onze
huidige fossiele brandstoffen bruinkool, steenkool, aardgas, aardolie voor energieopwekking
wordt de CO2 weer snel teruggegeven aan de atmosfeer.
5. Hoe anders wordt ons wereldklimaat?
5.1 Klimaatonderzoek door het IPCC
1988 IPCC (Intergovernmental Panel on Climate Change) werd opgericht voor
internationaal onderzoek. Ze moeten het klimaatprobleem en de natuurlijke
gevolgen ervan een wetenschappelijke basis geven.
3 werkgroepen:
– I verzamelt wetenschappelijke kennis over het klimaat in verleden, heden, toekomst
– II inventariseert de maatschappelijke gevolgen van klimaatverandering en de mogelijke
aanpassing (adaptie)
– III zoekt naar mogelijkheden om de omvang van de uitstoot van broeikasgassen terug
te dringen (mitigatie)
Al hun uitspraken hebben een mate van waarschijnlijkheid. Het is te complex om de
waarheid te kunnen spreken.
5.2 Meer stralingsenergie en hogere temperaturen
De balans tussen de inkomende straling van de zon en uitgaande straling van de aarde
veranderd door de verhoging van de broeikasgas-concentratie in de lucht, door de
Industriële Revolutie. Het wordt warmer. Vooral na 1950 is er sprake van een
temperatuurstijging. Dit wordt ook wel de hockeystick genoemd, vanwege de vorm in een
grafiek. Het stijgen gaat volgens het IPCC door tot 2100, zo’n 1,1 tot 6,4 °C. De
poolgebieden, grote landmassa’s en woestijnen zullen sneller dan gemiddeld opwarmen,
zoals altijd.
5.3 Meer neerslag, maar minder ijs
In principe zullen hogere temperaturen de luchtcirculatie en de hydrologische
kringloop intensiveren. Lucht zal sterker opstijgen in een lagedrukgebied/minimum en
de luchtdruk lager worden, waardoor er in de tropen en gematigde breedten meer
neerslag gaat vallen. Rivieren zullen meer water moeten afvoeren.
In een hogedrukgebied/maximum zal de dalende luchtbeweging versterkt worden en de
luchtdruk hoger. De droge gebieden in de subtropen worden droger. In de subtropen is er
ook toename van neerslagvariabiliteit.
Passaten en moessons worden krachtiger, nat wordt natter, droog wordt droger. Elk
klimaatgebied zal veranderen en de klimaatzones zullen wat plooibaarst gaan
verschuiven.
Hoewel meer neerslag meer sneeuw betekend, vind het afsmelten en afkalven door de
hogere temperaturen versneld plaats.
Skitoerisme loopt gevaar > Zwitserland bedekt gletsjers met folie om afsmelten in de
zomer tegen te gaan.
Opwarming van poolgebieden zorgt voor vermindering zee-ijs.
5.4 De oceaan warmt op
De oceaan wordt warmer > zeewater zet uit > zeespiegel stijgt
Afsmelten van gletsjers en ijskappen > zeespiegel stijgt
Op land oppompen en na gebruik afvoeren van grondwater naar zee > zeespiegel stijgt
Wereldwijd moeten we rekening houden met 0,9 tot 1,6 meter zeespiegelstijging. Deze
stijging is niet meer te voorkomen, het stijgt nog eeuwen door. De lange verblijfsduur van
CO2 in de lucht (naijleffect) speelt hierbij een belangrijke rol.
5.5 Terugkoppelingen versterken of verzwakken
Door het warmer worden van het klimaat zullen er in de landschapszones allerlei
terugkoppelingsmechanismen gaan optreden. Je hebt positieve – ; warmer worden
versterken, of negatieve – ; warmer worden verzwakken.
In de polaire zone kunnen 3 soorten optreden:
1. Minder weerkaatsing van zonnestraling
Door de kleur wordt er veel zonnestraling teruggekaatst. Als er minder sneeuw en ijs is, zal
er dus weer minder worden teruggekaatst. (albedo)
Ook weerkaatst de vlakke toendra meer zonnestraling dan de hoge donkere bossen die de
zonnestraling invangen.
2. Verstoring van de werking van de diepwaterpomp
Warmer klimaat > gletsjers op hoge breedten smelten > zoet smeltwater naar oceanen >
verdunning zeewater en vermindering zoutgehalte > zeewater minder zwaar > dalend
karakter in afzinkgebieden vertraagt > de diepwaterpomp in de oceanische circulatie van
koude en warme zeestromen werkt hierdoor minder goed.
Minder vormen van zee-ijs heeft hetzelfde effect. Als zeewater bevriest blijft het zout in het
onbevroren water achter.
Er is gevaar voor verstoring van het Atlantisch circulatiessysteem. De toestroming van
warm oceaanwater in de Atlantische Oceaan door de Golfstroom kan mogelijk minder
worden, waarmee het klimaat van West-Europa koeler wordt.
3. Extra uitstoot of opname van broeikasgassen
Het warmer worden van de polaire zone zal de uitstoot van broeikasgassen versterken en
zo zorgen voor extra opwarming. Door opdooi van permafrost komt er uit de moerassen
methaan CH4 vrij. Indien de bodemlaag opdroogt komt ook koolstof CO2 vrij.
Als er meer planten gaan groeien daar zullen die de CO2 weer opnemen en zo het
broeikaseffect weer verzwakken.
6. Leren leven met een ander wereldklimaat
6.1 Verschillen in kwetsbaarheid
Mensen en ecosystemen worden meestal gedwongen zich aan te passen aan het
veranderende klimaat. IPCC noemt dit adaptatie. De kwetsbaarheid geeft de mate aan
waarin een land of gebied in staat is de negatieve effecten van een klimaatverandering op
te vangen. Een risicoanalyse van de lokale omstandigheden moet hierop antwoord geven.
Zowel de eigenschappen van natuurlijke systemen als maatschappelijke factoren bepalen
deze kwetsbaarheid.
1. De hoogteligging en de nabijheid van de zee
Er is mogelijk sprake van het verdwijnen van bewoonde gebieden en landbouwgronden
door verdrinking. Ter bescherming van maatschappelijke systemen is goede
kustverdediging noodzakelijk. Bij vooral dichtbevolkte deltagebieden
2. Het karakter van het huidige klimaat in een gebied of landschapszone
De dominante eigenschappen zoals hete zomers, grote droogte, veel neerslag of veel
tropische stormen zullen door klimaatverandering worden versterkt. De Filipijnen, Bangladesh,
Haïti kunnen meer tropische cyclonen verwachten. Rusland bosbranden.
Voor sommige landen is het gunstig, bv Noord-Europa, daar neemt de neerslag toe en er
zijn minder koude periodes > goed voor de landbouw.
Zuid-Europa krijgt daarentegen minder neerslag en meer hittegolven.
3. Het aanpassingsvermogen van natuur en ecosystemen
De vegetatiezones en biogeografische zones verschuiven in samenhang met de
verschuiving van de klimaatzones. Niet ieder ecosysteem kan zich aanpassen, vooral de
bijzondere soorten in de natuur hebben het moeilijk, ze stellen vaak eisen aan bv de temp
van de bodem. Door mondiale stijging vermindert de biodiversiteit. Organismen zullen
door verandering afsterven.
4. De eigenschappen van de bevolking en de economie
De eigenschap van de bevolking en de economie bepalen het aanpassingsvermogen van
de samenleving. Een sterk groeiende bevolking, omvangrijke armoede en sterke
afhankelijkheid van landbouw maken een land kwetsbaar bij kans op droogte of
overstromingen. Nemen agrarische productie en voedselzekerheid af, neemt honger toe.
Om meer hitte te kunnen weerstaan is de mate van gezondheid belangrijk.
In de polaire zone kan men last krijgen in de transportsector, door het smelten van
permafrost kunnen wegen, leidingen en gebouwen verzakken.
De energiesector: in de winter minder energiegebruik, in de zomer wat meer door de AC.
5. De mogelijkheden van overheid en technologie
Noodzakelijke aanpassingen door een veranderend klimaat kunnen kostbaar en technisch
ingewikkeld zijn. Een land moet dit zich dus kunnen veroorloven. Ook moet de overheid
goed georganiseerd zijn.
6.2 Invloed op water en toerisme
Minder zoet water
Doordat de gletsjers slinken zullen de rivieren minder gevoed worden. De gletsjers
fungeren een beetje als watertorens. Als ze opdrogen is er minder water beschikbaar voor
drinkwater, irrigatie en waterkracht.
De (semi-)aride zones krijgen nog minder water en er is toenemende kans op verdroging
en verzilting.
In de kustgebieden zal de zeespiegelstijging leiden tot een toename van de verzilting van
het grondwater en een afname van de beschikbaarheid van zoet water.
Toerisme en klimaat
Klimaatverandering zal invloed hebben op de aantrekkelijkheid van een gebied voor
toerisme.
De toeristenklimaatindex (TCI) geeft een objectieve meting van de aantrekkelijkheid van
een klimaat voor toerisme. Dit wordt bepaalt door iedere dag punten te geven van
temperatuur, luchtvochtigheid, hoeveelheid zon en regen en kracht van de wind. Er wordt
een bepaalde score gehaald, 100 is het beste klimaat voor toeristen.
Bij iedere graad temperatuurstijging zal de sneeuwgrens honderd tot tweehonderd meter
naar boven schuiven. Dit is slecht voor het skitoerisme.
7. Hoe kan klimaatverandering beperkt worden?
7.1 Politiek en het klimaatprobleem
Bij het klimaatprobleem moet ook de oorzaak bestreden worden, anders heb je alleen
maar symptoombestrijding. Politieke factoren spelen een belangrijke rol om mensen
minder te laten uitstoten. Er moet een goed mondiaal beleid zijn, waarbij
klimaatconferenties jaarlijkse bijeenkomsten VN waarin afspraken gemaakt worden over de aanpak
belangrijk zijn, dat op lager schaalniveau doorwerkt in een Europees beleid en een
Nederlands beleid.
In de klimaatconferenties wordt het debat sterk bepaald door de belangen van de
deelnemende landen. Maatschappelijke factoren, zoals economische ontwikkeling en
demografische factoren zijn sterk sturend.
1992 1e klimaatconferentie in Rio: klimaatverdag VN-Raamverdrag inzake
klimaatverandering. Was nog niet echt concreet.
‘Ervoor zorgen dat de concentraties van broeikasgassen in de atmosfeer op zo’n niveau gestabiliseerd
worden dat gevaarlijke menselijke verstoring van het klimaatsysteem wordt voorkomen. Dit niveau moet
worden bereikt binnen een zodanig tijdbestek dat ecosystemen in staat zijn zich op natuurlijke wijze aan te
passen aan klimaatverandering.’
7.2 Het Kyoto-protocol
1997 Klimaatconferentie in Kyoto: concretere afspraken. Kwam pas in 2002 uit.
2005 Kyoto-protocol in werking gezet.
– In 2008-2012 moet de jaarlijkse mondiale uitstoot (emissie) van broeikasgassen ten
opzicht van 1990 met 5,2% omlaag.
– Absoluut plafond
Omdat de bijdrage van verschillende broeikasgassen verschild, wordt alles omgerekend
naar het opwarmend effect (Global Warming Potential) van hoeveelheden CO2.
Ontwikkelingslanden oa China en India hoeven hun uitstoot niet te matigen, omdat ze in het
verleden nog niet zo heel veel uitgestoten hebben en nog moeten groeien. De beperking
verschilt per land of landengroep. Europa met 8%, Nederlands moet hieraan bijdragen
door een reductie van 6%.
Bij alle Nederlandse maatregelen moet er steeds sprake zijn van het afstemmen van de
nationale wetgeving op de Europese regelgeving.
7.3 De Kyoto-maatregelen voor de industrielanden
In het Kyoto-protocol is geregeld dat de industrielanden hun uitstoot kunnen beperken
door zowel maatregelen in eigen land als in het buitenland te nemen. Belangrijk zijn de
natuurlijke opslagplaatsen van CO2, die sinks (putten) worden genoemd. Dit zijn vooral
bossen en landbouwgewassen die bij fotosynthese veel koolstof kunnen vastleggen.
De maatregelen in het buitenland kunnen 3 groepen landen betreffen:
1. De voormalige Oostblokstaten in Centraal- en Oost-Europa (de transitielanden)
In deze landen vinden we een planeconomie die omgevormd is tot markteconomie met
veel vervuilende productieprocessen en een hoog energiegebruik. Door te investeren in
nieuwe schone technologie kan op goedkope manier de uitstoot omlaag.
2. De ontwikkelingslanden
Deze landen staan aan het begin van hun economische ontwikkeling. Door ontbossing
tegen te gaan en nieuw bos aan te planten kan de natuurlijke opslag van CO2 worden
vergroot. Er zijn ten aanzien van technologie, bosbehoud en bosaanplant in
ontwikkelingslanden vele projecten mogelijk die de concentratie van broeikasgassen in de
atmosfeer beperken.
3. De industrielanden onderling (internationale emissiehandel)
Als land krijg je uitstootrechten in de vorm van CO2-krediet. Deze CO2-credits 1 CO2credit is
1 ton CO2 mogen verkocht worden aan landen die hun Kyoto-doelstelling niet halen, als het
verkopende land krediet over heeft. De handel in emissierechten noemt men
emissiehandel. Dit kan ook tussen bedrijven plaatsvinden en geldt vooral voor
ondernemingen die energie-intensief zijn. olieraffinaderijen, elektriciteitscentrales, metaalbedrijven,
chemische industrie Deze bedrijven hebben van hun nationale overheden een plafond in hun
uitstoot gekregen.
7.4 Het klimaatbeleid moet aangescherpt
Er is nog geen reden voor groot optimisme over de internationale actie tegen
klimaatverandering. De economische groei van nieuwe industrielanden China, India, Brazil,
Mexico heeft gezorgd dat de uitstoot van ontwikkelingslanden groter is dan die van
industrielanden.
De trend van steeds maar stijging van de concentratie van CO2 in de atmosfeer 2 ppm per
jaar zal moeten worden gestopt. Hier zullen de industrielanden en ontwikkelingslanden
hard aan moeten werken, om de uitstoot van broeikasgassen te reduceren. Ook de VS
doen mee, hoewel die niet heeft getekend. De EU geeft het goede voorbeeld.
2010 Klimaatconferentie Cancún: nieuw nog uit te werken verdrag. Belangrijk:
1. Een tweegradendoelstelling
– Wereldwijd gemiddelde temperatuurstijging moet beneden 2 graden blijven
– Concentratie CO2 niet boven de 450 CO2-equivalenten mag komen
2. Financiering van de ontwikkelingslanden
– Per jaar 75 miljard euro beschikbaar voor ontwikkelingslanden om maatregelen
vermindering van uitstoot en aanpassingen ivm de klimaatverandering te bekostigen
(vanaf 2020)
3. Voorkomen van ontbossing
– Ontwikkelingslanden proberen ontbossing te voorkomen
– Zorgen voor duurzaam bosbeheer
4. Technologie-overdracht
– Overdracht van klimaatvriendelijke technologie naar ontwikkelingslanden wordt
gestimuleerd
7.5 Minder broeikasgas in de atmosfeer
Het beperken van de stijging van de temperatuur op aarde is niet makkelijk. Tal van
technische maatregelen zullen nodig zijn om het te bereiken. De meest effectieve manier
is bestrijden bij de bron. Het is ook mogelijk om de CO2 die al in de lucht zit vast te leggen
in planten.
4 belangrijke soorten maatregelen:
1. Energiebesparing
Een zuiniger gebruik van fossiele energie voorkomt uitstoot van broeikasgassen.
Je hebt positieve financiële prikkels subsidies en negatieve financiële prikkels hoge
benzineprijzen, belastingen
Het afremmen van mobiliteit beperkt het fossiele energiegebruik
Tolheffing brengt transportpreventie tot stand
Klimaatcompensatie = zelf verantwoordelijkheid nemen voor gedrag dat extra uitstoot van
broeikasgassen het klimaat belast zoals een onverplicht bedrag betalen om iets te doen aan het
milieu nadat je hebt gevlogen Het gaat om het klimaatneutraal maken van menselijk handelen.
Er zijn vele organisaties die zich inzetten om bossen te planten, ontwikkelen van schone
brandstofbesparende technologie en bevorderen van groene stroom.
2. Meer energie zonder uitstoot van broeikasgassen
Vormen van energie zonder uitstoot van broeikasgassen hebben de toekomst.
Kernenergie niet, dat heeft teveel risico’s voor ongevallen, problemen rond opslag
radioactief afval, dure investeringskosten en erg lange bouwtijd.
Duurzame energiebronnen worden belangrijk. Waterkracht, windkracht, zonnevellen zijn
belangrijke toepassingen van duurzame energie. Het zijn vormen van energie die steeds
opnieuw met zonne-energie als basis door de natuur worden aangemaakt. Deze energie is
heel schoon, maar best prijzig. Nieuwe technologie moet de oplossing bieden.
Bio-energie in de vorm van biobrandstof is een andere vorm van hernieuwde energie met
perspectief. De CO2 die bij de fotosynthese is opgeslagen komt vrij bij verbranding. Het
proces is CO2 neutraal.
Probleem: het verbouwen van gewassen voor biobrandstof concurreert met ruimtegebruik
voor de voedselproductie en de natuur tropisch regenwoud
Nederland vindt bevordering van duurzaam energiegebruik belangrijk.
3. Vastleggen van koolstof in bossen en koolstofplantages
Bossen slaan veel koolstof op. Nieuwe aanplant van bomen en andere planten kunnen
zorgen voor extra opname van koolstof uit de lucht. Bij grootschalige aanplant spreken we
over koolstofplantages.
Probleem: concurrentie met voedselproductie en de natuur voor ruimte
4. Afvang en opslag van CO2
De uitstoot van broeikasgassen in de wereld gebeurt vooral in door elektrische centrales,
olieraffinaderijen en grote industriële installaties. Doordat de CO2 geconcentreerd en veel
is is het makkelijker om op te vangen. De CO2 kan na afvang via pijpleidingen worden
getransporteerd en vervolgens worden geïnjecteerd in lege olie- en gasvelden. Bij
afdichting door bedekkende lagen zout- en kalklagen is de kans op het weer vrijkomen van
de CO2 klein.
In 2030 zou in Nederland weleens een hele infrastructuur aanwezig kunnen zijn voor
afvang, transport en opslag van CO2, maar voor nu zijn de bewoners van Nederland daar
nog niet zo blij mee. Ze vrezen voor hun veiligheid. Onderzoek zal moeten uitblijken of het
veilig is of niet.

Geef een reactie