Duits Spreekhulp Hoofdstuk 11 t/m 15

Duits voor alle niveaus – R. Hartman – Walvaboek – Spreekhulp Hoofdstuk 11 t/m 15

Spreekhulp – Walvaboek – R. Hartman

Hoofdstuk 11 t/m 15

 

Hoofdstuk 11 – Kleding

NederlandsDuits
Doe een jack aan, het is koudZieh dir eine Jacke an, es ist kalt
Waar is mijn broek/pyjamaWo ist meine Hose/mein Schlafanzug
Ik heb maar één spijkerbroekIch habe nur ein Paar Jeans
Ik zoek een Paar bruine schoenenIch suche ein Paar braune Schuhe
Ik heb een paar broeken gekochtIch habe ein paar Jeans gekauft
Waar heb je dat jasje gekocht?Wo hast du diese Jacke gekauft?
Dit jasje is van echt leerDiese Jacke ist aus echtem Leder
Wat kost deze stropdas?Was kostet dieser Schlips/diese Krawatte?
Hij draagt altijd een blazerEr trägt immer eine Jacke
Barbara trok haar schoenen uitBarbara zog ihre Schuhe aus
Mag ik deze trui passen?Darf ich diesen Pulli mal anziehen/anprobieren?
Zij draagt altijd een rok en een bloesSie trägt immer einen Rock und eine Bluse
Die bloes staat je heel goedDiese Bluse steht dir gut
Deze rits is stukDieser Reißverschluss ist kaputt
Hij past niet, hij is te nauwEr passt mir nicht, er ist zu eng
Mijn lievelingskleur is donkerblauwMeine Lieblingsfarbe ist dunkelblau
Hoe was ze gekleedWie war sie gekleidet
Staat deze rok me?Steht dieser Rock?
Ik draag nooit wollen kledingIch trage nie wollene Kleidung
Ik draag liever katoenIch trage lieber Baumwolle
Waar is de paskamer?Wo ist die Ankleidekabine?
Welke maat heb je?Welche Größe hast du?
Hebt u die schoenen in een andere maat?Haben Sie diese Schuhe in einer anderen Größe?
Hebt u ook trainingspakken?Haben Sie auch Trainingsanzüge?
Wat voor stof is dit?Was für ein Stoff ist das?
Dit is een heel goede kwaliteitDies ist eine sehr gute Qualität
Dit is te duur; hebt u niets goedkopers?Das ist zu teuer; haben Sie nichts Preiswerteres?
Ik heb deze spijkerbroek in de uitverkoop gekochtIch habe diese Jeanshose im Ausverkauf gekauft
Dat is echt een koopjeDas ist ein günstiger Kauf
Ik wil deze riem terugbrengenIch will diesen Gürtel zurückbringen
Kan ik deze panty ruilen?Kann ich diese Strumpfhose tauschen?
Je boord is vuilDein Kragen ist schmutzig
Wat vind je van dit T-shirt?Was hältst du von diesem T-Shirt?
Dat vind ik erg mooiDas finde ich sehr schön

 

 

 

Hoofdstuk 12 – Winkelen

NederlandsDuits
Zullen we gaan winkelen?
  • Sollen wir in die Stadt gehen und Einkäufe machen?
  • Wollen wir einen Stadtbummel machen
Tot hoe laat zijn de winkels open?Bis wie spät sind die Geschäfte auf?
De winkels waren geslotenDie Geschäfte hatten zu
Waar is de dichtstbijzijnde supermarkt?Wo ist der nächste Supermarkt?
Kunt u mijn helpen?Können Sie mir helfen?
Ik word al geholpenIch werde schon bedient
Mag ik even rondkijken?Darf ich mich mal umschauen?
Ik wil graag even rondkijkenIch möchte mich mal umschauen
Zullen we de roltrap nemen?Wollen wir die Rolltreppe nehmen?
Is er hier een lift?Gibt es hier einen Fahrstuhl?
Hoe kom ik op de eerste etage?Wie komme ich auf den ersten Stock?
De toiletten zijn op  de parterreDie Toiletten sind im Erdgeschoss
Waar is de afdeling damesmode?Wo ist die Abteilung Damenmode?
De herenafdeling is op de tweede etageDie Herrenabteilung ist im zweiten Stock
Hoeveel kosten deze gebruikte dvd’s?Wieviel kosten diese gebrauchten DVDs?
Ik heb een klachtIch habe eine Beschwerde
Kan ik de chef spreken?Kann ich den Chef mal sprechen?
Het is een cadeauEs ist ein Geschenk
Kunt u het voor mij inpakken?Können Sie es für mich einpacken?
Kan ik een tegoedbon krijgen?Kann ich einen Gutschein bekommen?
Waar is de klantenservice?Wo ist der Kundendienst?
Kan ik deze CD ruilen?Kann ich diese CD umtauschen?
Ik wil deze ceintuur terugbrengenIch will diesen Gürtel zurückbringen
Kan ik mijn geld terugkrijgen?Kann ich mein Geld zurück bekommen?
Ik heb geen contant geld bij meIch habe kein Bargeld
Waar kan ik hier pinnen?Wo kann ich mit meiner Scheckkarte bezahlen?
Ik ben mijn pincode vergetenIch habe meine Geheimzahl vergessen
Ik heb 20% korting gekregenIch habe 20% Rabatt bekommen
Kan ik met een creditcard betalen?Kann ich mit einer Kreditkarte bezahlen?
Is er hier een warenhuis?Gibt es hier ein Kaufhaus?
Is er hier een winkelcentrum?Gibt es hier ein Einkaufszentrum?
Pardon, is er hier een boekhandel in de buurt?Verzeihung, gibt es hier eine Buchhandlung in der Nähe?
Er is een bakker en een groentewinkel in het centrumEs gibt eine Bäckerei und einen Gemüseladen im Zentrum
We kopen altijd fruit op de marktWir kaufen immer Obst auf dem Markt
Ik heb deze CD in de uitverkoop gekochtIch habe diese CD im Ausverkauf gekauft
In de etalage heb ik een horloge gezienIm Schaufenster habe ich eine Armbunduhr gesehen
Dit is precies wat ik bedoeldeGenau so etwas habe ich mir vorgestellt
Dat is niet wat ik zoekDas ist nicht was ich suche
Dit is niet wat ik bedoeldeDas ist nicht mein Geschmack
Ik heb een zilveren armband gekochtIch habe ein silbernes Armband gekauft
Mijn moeder heeft deze diamanten broche in een antiekwinkel gekochtMeine Mutter hat diese Diamantenbrosche in einem Antiquitätenladen gekauft
Hoeveel heb je voor dit horloge betaald?Wieviel hast du für diese Uhr bezahlt?
Dat hebben we niet op voorraadDas haben wir nicht auf Lager
Verder nog iets? – Nee, dank u, dat is hetSonst noch etwas? – Nein danke, das ist es
Hebt u een batterij voor dit fototoestel?Haben Sie eine Batterie für diese Fotokamera?
Een pakje papieren zakdoekjes alstublieftEin Schachtel Papiertaschentücher, bitte

 

Hoofdstuk 13 – Gezondheid

NederlandsDuits
Zij is ernstig ziekSie ist ernsthaft krank
Ik heb pijn in mijn maagIch habe Magenschmerzen
Ik voel me niet goedIch fühle mich nicht wohl
Ik ben duizeligMir ist schwindlig
Ik voel me heel zwakIch fühle mich ganz schwach
Waar heb je pijn?Wo tut’s weh?
Ik ben verkoudenIch habe mir einen Schnupfen zugezogen
Ik heb kou gevatIch habe mich erkältet
Ik heb hoofdpijnIch habe Kopfschmerzen
Heb je ook koorts?Hast du auch Fieber?
Ik heb een beetje verhogingIch habe etwas Temperatur
Je ziet er bleek uitDu siehst blass aus
Het is niets ernstigsEs ist nichts Ernstes
Heb je en aspirientje?Hast du einen Aspirin Tablette
Hebt u iets tegen de pijn?Haben Sie etwas gegen den Schmerz?
Ik heb diarreeIch habe Durchfall
Ik ben steeds misselijkMir ist dauernd schlecht
Ik moet overgevenIch muss mich erbrechen
Hoe gaat het?Wie geht’s?
Hoe gaat het met je gezondheid?Was macht die Gesundheit?
Hoe gaat het met de patiënt?Wie geht’s mit dem Patienten?
Je moet de dokter bellenDu brauchst einen Arzt
Waar kan ik hier ergens een dokter bellen?Kann ich irgendwo einen Arzt anrufen?
Kan ik een afspraak maken?Kann ich einen Termin vereinbaren?
Wanneer is het spreekuur?Wann ist Sprechstunde?
Krijg ik een recept?Verschreiben Sie mir etwas?
Ik moet in bed blijvenIch muss im Bett bleiben
Hebt u ook iets tegen hoesten?Haben Sie etwas gegen Husten?
Ik heb griepIch habe Grippe
Ik heb pijn in mijn borst?Die Brust tut mir weh
Wat is er aan de handWas ist los?
Mijn hand bloedtDie Hand blutet
Ik heb me in mijn vinger gesnedenIch habe mir in den Finger geschnitten
Heb je een pleister voor mij?Hast du ein Pflaster für mich?
Waar ligt de schaar?Wo liegt die Schere?
Heb je een zakdoek voor me?Hast du ein Taschentuch für mich?
Er zit iets in mijn oogIch habe etwas im Auge
Ik kan mijn pols niet bewegenIch kann mein Handgelenk nicht bewegen
Ik denk dat ik mijn enkel verstuikt hebIch denke, ich habe mir den Knöchel verstaucht
Het is alleen maar gekneusdEs ist nur gequetscht
Moet hij in het gips?Muss er in Gips?
Ik moet even naar het ziekenhuis voor een röntgenfotoIch muss kurz mal ins Krankenhaus, um ein Röntgenfoto machen zu lassen
Mijn bloed moet onderzocht wordenMein Blut muss untersucht werden
Wanneer krijg ik de uitslag?Wann bekomme ich das Resultat?
Ik ben constant moeIch bin andauend müde
Zou het de ziekte van Pfeiffer kunnen zijn?Könnte es die Pfeiffersche Krankheit sein?
Mijn vader moet geopereerd wordenMein Vater muss operiert werden
Hij is naar het ziekenhuis gebrachtEr wurde ins Krankenhaus gebracht
BeterschapGute Besserung
Ik hoop dat je gauw beter wordtIch hoffe, dass du bald wieder gesund bist
Hoe vaak ga je naar de tandarts?Wie oft gehst du zum Zahnarzt?
Tweemaal per jaarZweimal pro Jahr
Ik heb kiespijnIch habe Zahnschmerzen
Er zit een gaatje in deze kiesIch habe ein Loch in diesem Zahn
Er is een vulling uitgevallenEine Plombe ist herausgefallen
Ik ben in de vakantie ziek gewordenIch bin in den Ferien krank geworden
Hij is allergisch voor aardbeienEr ist allergisch gegen Erdbeeren
Is er hier een toilet voor invaliden?Gibt es hier eine Behindertentoilette?
Ik ben particulier verzekerdIch bin privat versichert

 

Hoofdstuk 14 – Het weer

NederlandsDuits
Hoe is het weerbericht voor vandaag?Wie ist die Wettervorhersage für heute?
Wat zijn de vooruitzichten voor het weekend?Wie sind die Wetteraussichten fürs kommende Wochenende
Wat wordt het weer?Wie wird das Wetter?
De temperatuur gaat omhoogDie Temperatur steigt
Die temperaturen waren laagDie Temperatur war niedrig
De gemiddelde temperatuur was 20 gradenDie Durchschnittstemperatur was 20 Grad
Dat hangt van het weer afDas hängt vom Wetter ab
Het weer was erg slechtDas Wetter war sehr schlecht
Misschien klaart het nog opVielleicht klärt es noch auf
We hebben veel zon gehadWir haben viel Sonne gehabt
De zon schijntDie Sonne scheint
Het wordt koelerEs wird kühler
Er word regen verwachtMan erwartet Regen
Het regent veel in ons landEs regnet oft in unserem Land
Het regende dat het gootEs regnete Bindfäden
Het motregentEs nieselt
Wat een sombere dag vandaagEin trüber Tag heute
Es is kans dat het gaat regenenEs gibt möglicherweise Regen
Ik hoop dat het droog blijftHoffentlich bleibt es trocken
Het bleef maar regenenEs regnete in einem fort
Ik ben mijn paraplu vergetenIch habe meinen Regenschirm vergessen
Een fikse regenbui is hard nodigEin ordentlicher Regenschauer ist dringend nötig
Het is veel te lang droog geweestEs war viel zu lang trocken
Buien en zonnige periodenZeitweise Regenschauer und sonnige Perioden
We hebben een natte zomer gehadWir hatten einen nassen Sommer
Het is prachtig weerEs ist schönes Wetter
Wat een prachtige dagEin wunderschöner Tag
Geen wolkje aan de luchtKein Wölkchen am Himmel
Het blijft de hele week mooi weerEs bleibt die ganze Woche schön
Wat een afschuwelijk weerWas für ein scheußliches Wetter
Het is licht bewolktEs ist leicht bewölkt
Tijdelijk opklaringenZeitweilige Aufheiterungen
Hier en daar opklaringenStellenweise Aufheiterungen
Het wordt heetEs wird warm
Het is winderig weerEs ist windiges Wetter
Er komt onweer opzettenEin Gewitter zieht auf
We krijgen onweerWir bekommen Gewitter
Er wordt onweer verwachtEs wird Gewitter erwartet
Vannacht heeft het geonweerdVergangene Nacht hat es Gewitter gegeben
Ik ben bang voor onweerIch habe Angst vor Gewitter
Het noodweer richtte grote schade aanDas Unwetter richtete großen Schaden an
Er was een dikke mistEs gab dichten Nebel
Ondanks de mist zijn we vertrokkenTrotz des Nebels sind wir abgefahren
Het heeft hard gevrorenEs hat stark gefroren
De wegen waren gladDie Straßen waren glatt
Het blijft gladEs bleibt glatt
Er is een flink pak sneeuw gevallenEs hat tüchtig geschneit
Vanwege de sneeuw zijn we zo laatWegen des Schnees sind wir so spät
Het is gisteren al begonnen te dooienDas Tauwetter hat gestern schon angefangen
Als het vriest, kan het gaan ijzelenBei Frost entsteht oft Glatteis
Het blijft vriezenEs gibt weiterhin Frost
Het ijs was niet dik genoegDas Eis war nicht dick genug
Vorig jaar hadden we een strenge winterVergangenes Jahr gab es einen strengen Winter
Onze winters zijn vaak mildUnsere Winter sind oft mild
Het was buitengewoon koudEs war außerordentlich kalt
Het weer verandertDas Wetter ändert sich
Hoe is het klimaat in Noord-Duitsland?Wie ist das Klima in Norddeutschland?

 

 

Hoofdstuk 15 – Telefoon en Fax

NederlandsDuits
Waar kan ik even opbellen?Wo kann ich mal anrufen?
Mag ik uw mobieltje ven gebruiken?Darf ich Ihr Handy mal benutzen?
Wat zijn de kosten van het gesprek?Was kostet das Gespräch?
Ik wil graag even opbellenIch möchte gerne mal anrufen
Hebt u een telefoongids voor mij?Haben Sie ein Telefonbuch für mich?
Wat is het kerngetal?Was ist die Vorwahl?
Wat is het landnummer van Nederland?Wie ist die Vorwahl von Holland?
Hebt u een fax?Haben Sie ein Faxgerät?
Waar is de dichtstbijzijnde telefooncel?Wo ist die nächst Telefonzelle?
Ik heb mijn mobieltje bij meIch habe mein Handy dabei
Aan wie stuur je die sms?Wem schickst du die SMS?
Ik bel je zodra ik thuis benIch rufe dich an, sobald ich zu Hause bin
Er is telefoon voor uTelefon für Sie
Blijft u even aan de lijnBleiben Sie bitte am Apparat
Hallo, met LotharHallo, hier Lothar
Je kunt je boodschap op mijn voicemail insprekenDu kannst deine Nachricht auf meiner Voicemail hinterlassen
Ik heb het verkeerde nummer gedraaidIch habe die falsche Nummer gewählt
Ik krijg geen gehoorDa meldet sich niemand
Kan ik mevrouw Luschke spreken?Kann ich Frau Luschke mal sprechen?
Ze is niet thuisSie ist nicht da
Met wie spreek ik?Wer spricht da, bitte?
Spreek ik met Richard?Bist du es, Richard?
Het nummer is bezetDie Nummer ist besetzt
De verbinding is slechtDie Verbindung ist schlecht
Je broer is aan de lijnDein Bruder ist am Apparat
De telefoon doet het nietDas Telefon funktioniert nicht
Kunt u een boodschap doorgeven?Können Sie etwas ausrichten?
Kun je langzamer spreken?Kannst du etwas langsamer sprechen?
Kun je harder spreken?Kannst du etwas lauter sprechen?
Wanneer kan ik terugbellen?Wann kann ich zurückrufen?
Kunt u dat herhalen?Können Sie das wiederholen?

 

Geef een reactie