Economie Samenvatting Mobiliteit

Economie Samenvatting Mobiliteit Hoofdstuk 1 t/m 4

 

CHECK LIST MOBILITEIT

Het begrip schaarste is kort in de samenvatting behandeld daarom is het handig om dit filmpje te bekijken!

 

Wat is het surplus in een monopolie?

Prijsdiscriminatie grafieken samenvoegen

TOELICHTING MARKTWERKING (WELVAART)

 Uitleg Paragraaf 2 en 4

Economie Samenvatting Mobiliteit

LWEO (www.lweo.nl)

Hoofdstuk 1 – Economie Samenvatting Mobiliteit

Schaarse middelen (→economische definitie)= goederen waarvoor je iets (tijd/geld/etc) moet inzetten/opofferen

Vrije goederen= geen offers nodig zijn (wind, zon, water)

alternatief aanwendbaar= middelen(geld) op verschillende manieren kunnen worden ingezet, je kunt maar 1 keuze maken

arbeidsdeling= specialiseren op 1 taak → efficiënter

directe ruil/ruil in natura= ruilen van goederen tegen goederen

  • hoge transactiekosten (waarde goed bepalen)

indirecte ruil= ruilmiddel met algemeen goed(geld)

 

geld

  1. ruilmiddel
  2. rekenmiddel (=we drukken hiermee de waarde van producten uit)
  3. spaarmiddel

 

marktsector=

  • informele/zwarte en grijze(vrijwilligers werk/huishoudelijk arbied/doe-het-zelfarbeid/directe ruil) = niet geregistreerd bij belastingdienst
  • formele/witte circuit= dus wel geregistreerde transacties

niet-marktsector=

  • non-profitsector
  • activiteiten v/d overheid
MarktsectorNiet-marktsector
Formele economie = wit
= geregistreerd
BedrijfslevenOverheid en non-profitsector
Informele economie = niet-
geregistreerd
Zwarte circuitGrijze circuit

 

 

Hoofdstuk 2 – Economie Samenvatting Mobiliteit

Economie Samenvatting Mobiliteit

Welvaartstheorie:

Ontstaat door ruiltransactie

Voordeel

Verkoper als koper heeft voordeel

Nadeel

welvaartstheorie beperkt → alleen→ formele economie

  • informele activiteiten → niet meegerekend (verbouwen → eigen groentes/huis)
  • schade aan het milieu wordt niet meegerekend (→dus de welvaart van andere)

 

Pareto-efficiënt/Pareto-optimaal=

  • ontstaat als welvaart van 1 persoon afneemt want dan kan de welvaart van een ander pas toenemen
  • informele + formele economie → dus geen uitspraak over de wenselijkheid/rechtvaardigheid van een verdeling
    • want er wordt niet gekeken hoe de welvaart tot stand is gekomen

 

Surplus (=welvaart)

Theoretisch

Individuele consumentensurplus=

  • verschil tussen betalingsbereidheid en de werkelijke betaling
  • verschil tussen kosten en uitgaven

 

individuele producenten surplus=

  • verschil tussen werkelijke ontvangsten en de leveringsbereidheid
  • verschil tussen ontvangsten en baten
    • Bij economie gaat het dan om de verkoopprijs(=ontvangsten) – de kosten die per afzet verschillend zijn(=Gemiddeld Variabele Kosten =baten)

(Constante Kosten zitten hier dus niet in)

  • (P-GVK)

totale surplus= over alle consumenten of producenten

markt van volledige mededinging→ totale surplus/welvaart → maximaal

arbeidsmarkt: (vaak gezien als markt volkomen concurrentie)

  • Producenten surplus wordt hier werknemers surplus
  • Consumentensurplus wordt hier werkgevers surplus

Surplus bedrag:

  • wanneer het loon waarvoor je minimaal zou willen werken lager is dan het evenwichtsloon(het loon dat je werkelijk ontvangt) ontvang je een surplus
  • welvaart stijgt met het surplus bedrag

Grafisch

  • Aanbodlijn geeft dus de leveringsbereidheid aan
  • Vraaglijn geeft dus de betalingsbereidheid aan
  • Consumentensurplus = bovenste driehoek
  • Producenten surplus = onderste driehoek

Hoofdstuk 3

Prijsregulering: nodig om negatieve effecten van de vrije markt tegen te gaan

  • Monopolisten die producten te duur maken

Welvaartseconomen→ prijsregulering(ingrijpen) leidt tot verlies van welvaart

  • Krimpende markt→ weergegeven door Harberger-driehoek/deadweight-loss/verloren surplus
    1. Ingrijpen is in voordelen van consumenten
  • Nadeel: producenten surplus neemt af
  • Voordeel: consumentensurplus neemt toe (maar deze toename is niet gelijk aan de afname v/h producten surplus waardoor de markt krimpt)
  1. ingrijpen is in voordeel van producenten
  • minimumprijs

§  varianten

  • wet maken, zodat niemand boven een bepaalde prijs mag verkopen
  • de minimumprijs krijgen ongeacht het verkoopaantal
    • productiequotum/max. productie→ anders is het te duur voor de overheid
  • voordeel: producenten surplus neemt toe
    • in landbouw (voedselvoorraad veilig, kleine boeren blijven bestaan)
  • nadeel: consumentensurplus neemt af (maar deze toename is niet gelijk aan de afname v/h producten surplus waardoor de markt krimpt)
  • De vraag is groter dan het aanbod (vraagoverschot/aanbodtekort)

Hoofdstuk 4

Marktfalen (=geen optimale balans tussen vraag en aanbod)

  • Onvolledige mededinging= niet Pareto-efficiënt
    • Bedrijven kunnen prijzen beïnvloeden
  • Asymmetrische informatie

 

Volledige mededinging

  • Aanbodvergelijking = Marginale Kosten
  • Consumentensurplus en producenten surplus zijn maximaal
  • Negatieve kanten
    • Homogeniteit is saai
    • Gebrek aan innovaties; er vindt geen innovatie plaats want het product blijft homogeen. Vindt er innovatie plaats waardoor het product meerwaarde krijgt dan onderscheid het zich dus van de rest en verandert de marktvorm bijvoorbeeld in monopolistische concurrentie of wanneer het product helemaal uniek wordt verandert de markt tot een monopolie vorm.

 

Monopolie

  • Aanbodvergelijking = Marginale Kosten
  • Prijsafzetlijn = collectieve vraaglijn
  • Bijvoorbeeld:
  • Qv = -0,2P+10
  • Qv staat voor aantal (=Q) vragers (=v). Omdat we weten dat we met de vraaglijn bezig zijn gebruiken we voor de duidelijkheid alleen q (=aantal)
  • -0,2P+10 = q
  • -0,2P = q-10
  • P = -5q+50 (=GO)

 

Surplus

Verlies van welvaart = afnamen ruiltransacties

 

Prijsdifferentiatie=

  • Het product veranderen zodat je uniek bent op de markt
  • Je maakt het product heterogeen
  • Markt met heterogenen producten= Monopolistische concurrentie

Prijsdiscriminatie=

  • Je vraagt voor hetzelfde product verschillende prijzen
    • Dit doe je om het gehele consumentensurplus te veranderen in producten surplus waardoor je dus meer winst maakt
    • Je zorgt dus dat mensen die een hogere betalingsbereidheid hebben niet minder betalen omdat andere mensen een lagere betalingsbereidheid hebben, je splitst de groepen en laat de mensen met een hogere betalingsbereidheid meer betalen dan die met een lagere betalingsbereidheid
  • Doordat diensten moeilijker te meten zijn als goederen werkt prijsdiscriminatie beter voor diensten

 

Kartel= afspraken tussen bedrijven om de concurrentie te verminderen

  • Concurrenten zouden ook een kartel kunnen afsluiten met elkaar omdat samenwerken soms voordeliger is dan concurreren.
  • Verboden

Fusie= samengaan van bedrijven om concurrentie uit te schakelen

  • Verboden wanneer te weinig concurrentie overblijft

Autoriteit Consument & Markt (ACM)= toezicht → naleving m.b.t. kartelvorming en fuseren

Autoriteit Financiële Markten (AFM)= toezicht → naleving m.b.t. Kartelvorming en fuseren van banken en verzekeraars

Europese commissarissen= toezicht → naleving m.b.t. kartelvorming en fuseren op Europees niveau

 

Asymmetrische informatie kan leiden tot averechtse selectie:

  • “Vertaald”: onvolledige informatie kan leiden tot onbedoelde “negatieve” gevolgen
  • Doordat informatie niet volledig is, is de aanbieder (v/d dienst) niet instaat de gevolgen goed in te schatten. Omdat de aanbieder veel onzekerheid heeft zal hij niet zijn dienst niet verkopen voor een laag bedrag waardoor hij alleen de slechte risico’s aantrekt want voor de goede risico’s is de verzekering niet interessant.

 

( Prijsafzetfunctie = gemiddelde opbrengstenfunctie )

Collectieve vraaglijn omschrijven naar Gemiddelde Opbrengstenfunctie (GO)

 

CHECKLIST MOBILITEIT

Hoofdstuk 1 – Schaarste en ruil

 

kennen

Relatieve schaarsteSchaarse middelen (→economische definitie) zijn goederen waarvoor je iets (tijd/geld/etc) moet inzetten/opofferen
vrije goederen=Niet schaarse goederen. Bijv. zonlicht, drinkwater uit een beekje
alternatief aanwendbaar=De middelen kunnen voor verschillende doeleinden gebruikt worden. We moeten vanwege schaarste kiezen hoe ze worden ingezet.
arbeidsdeling=werk verdelen over verschillende personen
directe ruil/ruil in natura=het tegen elkaar uitwisselen van goederen den diensten zonder gebruik van geld
transactiekosten=Alle kosten die samenhangen met het tot stand komen en afwikkelen van een ruil.
indirecte ruil=Goederen worden geruild tegen geld.
ruilmiddel=Middel waarmee je ruilt
rekenmiddel=Functie van geld: de waarde van verschillende goederen kan met elkaar vergeleken worden.
spaarmiddel=geld of ander financieel instrument als middel om op te sparen.

 

Kunnen

Uitleggen wat de economische invalshoek is bij het bestuderen van menselijk gedrag

 

een wetenschap die zich bezighoudt met de keuzes die mensen maken bij de productie, consumptie en distributie van schaarse goederen en diensten. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen macro-economie – waar vragen naar voren komen over de nationale en wereldwijde economie, zoals werkloosheid, inflatie en rentestanden – en micro-economie – over het gedrag van bedrijven en consumenten.

 

absolute en relatieve schaarste onderscheiden

Absolute schaarste= wanneer er een vraagoverschot is

Relative schaarste= goederen waarvoor je iets (tijd/geld/etc) moet inzetten/opofferen

kenmerken van een economische keuzeDeze keuzes zijn rationeel verantwoord, en bestaan uit dilemma’s over het best opgeofferde alternatief
beschrijven welke invloed de ontwikkeling v/d ruil in de loop der tijd heeft op transactiekosten

In de loop van de tijd werd directe ruil (=ruilen van koe voor graan) vervangen door indirecte ruil. Deze ontwikkeling ging gepaard met technische arbeidsverdeling en specialisatie. De arbeidsverdeling werd steeds verder doorgevoerd, waardoor het productieproces meer en meer werd opgesplitst in allerlei deelbewerkingen.

Daarnaast werden door het gebruik van geld de transactiekosten minder omdat je niet hoefde nagegaan wat de directe ruilmiddelen waard waren.

3 functies van geld onderscheiden + herkennen

– ruil of betaalmiddel

– rekenmiddel (makkelijk → bepalen waarden)

– spaarmiddel

transactiekosten vaststellen

Voorbeelden

– Vergoeding die moet worden betaald voor het aan- of verkopen van effecten.

– kosten van het zoeken van een verkoper, onderhandelingen, technische studies, verkrijgen van goedkeuring van de bevoegde instantie, etc.

onderscheiden of economische activiteiten horen tot de marktsector of de niet-marktsectormarktsector= De bedrijven in alle bedrijfstakken behalve overheid, gezondheids- en welzijnszorg, verhuur van en handel in onroerend goed en delfstoffenwinning.
onderscheiden of economische activiteiten horen tot formele of informele circuit

De formele sector is het geld dat in een land verdiend wordt, en dat opgegeven wordt aan de belasting. Dit telt mee in het BNP. De Informele sector is het tegenovergestelde hiervan. De informele sector is de arbeid die niet bij de overheid geregistreerd staat; er is geen wettelijke bescherming en er zijn geen sociale voordelen, ofwel zwartwerk.

Daarnaast is nog grijswerk, ofwel vrijwilligerswerk. Dit is tevens niet geregistreerd

invloed van transactiekosten op ’t ruilproces

– Wanneer de transactiekosten toenemen zal het ruilproces sneller verlopen.

– Transactiekosten kunnen voor bemoeilijking van het ruilproces zorgen

– Door gebruik van geld weet men wat de waarde is waarvoor hij z’n product ruilt

 

 

 

Hoofdstuk 2 Ruiltransacties en welvaart

 

Kennen

betalingsbereidheid=Het maximale bedrag dat je voor iets wilt betalen.
kosten=De waarde van de opgeofferde schaarse middelen.
Pareto-efficiënt/Pareto-optimaal=De welvaart van één persoon kan niet toenemen zonder dat de welvaart van iemand anders afneemt.
Individuele consumentensurplus=Het bedrag dat 1 consument aan voordeel heeft omdat hij minder voor een goed hoeft te betalen dan hij maximaal wil betalen.
leveringsbereidheid=De bereidheid van de aanbieder om bij een bepaalde prijs een bepaalde hoeveelheid te leveren.
individuele producentensurplus=Het bedrag dat 1 producent aan voordeel heeft, omdat hij op de markt meer ontvangt voor zijn product dan waarvoor hij het minimaal wil verkopen.
totale consumentensurplus=Het bedrag dat alle consumenten aan voordeel hebben omdat zij minder voor een goed hoeven te betalen als zij maximaal willen
totale productensurplus=Het bedrag dat alle producent aan voordeel hebben, omdat zij op de markt meer ontvangen voor hun product dan waarvoor zij het minimaal willen verkopen.
marktevenwicht=Punt waarop vraag en aanbod aan elkaar gelijk zijn (in een bepaalde markt), dus grafisch de 2 lijnen snijden
evenwichtsprijs=de prijs in het marktevenwicht. Ofwel de prijs die ontstaat doordat vraag en aanbod aan elkaar daar gelijk zijn
evenwichtshoeveelheid=de hoeveelheid ofwel de ‘q’ die gepaard gaat met deze evenwichtsprijs
totale surplus/totale welvaart=consumentensurplus + producentensurplus
evenwichtsloon=Wanneer op de bijv. arbeidsmarkt een evenwichtsprijs ontstaat noem je dit het evenwichtsloon. De prijs is immers het loon die werknemer wil ontvangen en werkgever wil betalen
werknemerssurplus=Het onderste deel (driehoek) v/d totale welvaart; in het marktevenwicht via de aanbodlijn naar beneden. Je hebt het immers over aanbod, want werknemers bieden zich aan.
werkgeverssurplus=Het bovenste deel (driehoek) v/d totale welvaart; in het marktevenwicht via de vraaglijn omhoog. Je hebt het immers over de vraag, want werkgevers vragen naar arbeid.

 

Kunnen

d.m.v. kosten-batenanalyse uitleggen wat het effect van ruiltransactie is op de welvaartHet consumentensurplus is het verschil tussen de betalingsbereidheid (baten) en de prijs (kosten) die hij moet betalen. Het producentensurplus is het verschil tussen de prijs en de leveringsbereidheid (marginale kosten) van de producent. Het totale surplus (= welvaart) neemt toe wanneer ruiltransactie het surplus vergroten.
uitleggen wanneer sprake is van Pareto-effiënte situatieWanneer de welvaart van één persoon niet kan toenemen zonder dat de welvaart van iemand anders afneemt.
kritiek op de welvaartstheorieKritiek op de welvaartstheorie is dat zijn geen rekening houdt met activiteiten in de informele sfeer en geen rekening houdt met externe effecten.
met behulp v/h begrip betalingsbereidheid het consumentensurplus bepalen bij een ruiltransactiebijv. Jan, Piet en Klaas hebben allen een betalingsbereidheid van €10,-. Ze hoeven maar €5.- te betalen waardoor hun surplus ieder met €5,- toeneemt en het totale consumentensurplus dus met €15,-
consumentensurplus in een grafiek met een vraaglijn en aanbodlijn aangeven en herkennenvraaglijn geeft de betalingsbereidheid van de consumenten weer.  Op de vraaglijn v/h marktevenwicht omhoog is het consumentensurplus
met behulp v/h begrip leveringsbereidheid het producentensurplus bepalen bij een ruiltransactiebijv. bedrijf 1, 2 en 3 hebben allen een leveringsbereidheid van €10,-. Ze hoeven maar €5.- te betalen waardoor hun surplus ieder met €5,- toeneemt en het totale producentensurplus dus met €15,-
met voorbeelden uitleggen op welke wijze producenten streven naar een maximaal producentensurplusDoor de markt naar zich toe te trekken met lage prijzen en andere voordelen waardoor klanten meer willen betalen voor een product
producentensurplus in een grafiek met een vraaglijn en aanbodlijn aangeven en berekenenDe aanbodlijn geeft de leveringsbereidheid van de producenten weer. Op de aanbodlijn v/h marktevenwicht naar beneden is het producentensurplus.
invloed van prijsverandering op het consumentensurplus en producentensurplus bepalenDe producent zal er alles aan doen om het producentensurplus te vergroten omdat dit gelijk is aan zijn winst. Daarnaast zal de consument alle zeilen bijzetten om zoveel minmogelijk geldt uit te geven. Door prijsverandering zou het surplus van beide groepen kunnen veranderen omdat betalings/leveringsbereidheid kan veranderen.
verband uitleggen tussen de betalingsbereidheid en de vraagfunctie

Met ‘betalingsbereidheid’ geven we aan hoeveel iemand (maximaal) bereid is om uit te geven aan een bepaald product. En dus ook hoeveel men vraagt.

 

Dat heeft te maken met:

– iemands behoeften en prioriteiten

– beschikbare middelen van iemand

verband → leveringsbereidheid en vraagfunctie

In tegenstelling tot betalingsbereidheid heeft dit met het aanbod te maken. Dus niet de maximaal uit te geven, maar maximaal te besteden om het aan te bieden.

 

En dit kan ook te maken hebben met:.

– iemands behoeften en prioriteiten

– beschikbare middelen van iemand

 

Maar vooral met de winst die hij kan maken.

in een grafiek veranderingen arceren v/h consumentensurplus en het producentensurplus als gevolg van prijswijzigingJe weet hoe je het consumentensurplus en producentensurplus kan vinden in een grafiek (zo niet bekijk https://www.youtube.com/watch?v=GpeAFMJp1a4). Door het surplus te tekenen bij een nieuwe prijs (de prijsverandering) zal je dus 2 surplus krijgen (het oude + de nieuwe) door het verschil in de surplus te markeren arceer je in feite de prijswijziging.
veranderingen in het surplus als gevolg van prijswijziging analyseren

Redenen van prijsverandering:

https://www.youtube.com/watch?v=-95B4Le2lKk

(leer dus de formule van prijselasticiteit die zal je nodig hebben)

verklaren dat consumentensurplus + producentensurplus maatstaaf is maatschappelijke welvaart te metenDe welvaartstheorie gaat er vanuit dat de welvaart zowel voor producenten als consumenten geldt. Beide kunnen ze iets verdienen. Bij producent heet dit winst bij consument bespaard geld omdat ze eigenlijk een hogere prijs wilde betalen.
uitleggen dat als het consumentensurplus + producentensurplus maximaal is er sprake is van Pareto-effiënte situatieWanneer deze 2 maximaal zijn hebben beide partijen geen “winst” en moet één v/d 2 surplus inleveren voordat zij hun surplus kunnen vergroten, want al het surplus is ingenomen. (Dit is het geval bij volkomen concurrentie)
aantonen dat marktevenwicht bij volledige concurrentie voldoet aan criterium van ParetoOmdat heel het surplus in gebruik is zal 1 v/d 2 partijen iets moeten inleveren zodat dat deel van het surplus kan worden overgeheveld aan de andere partij.
arbeidsmarkt analyseren met behulp v/d welvaartstheorie

Hoewel de arbeidsmarkt niet alle kenmerken van volledige mededinging heeft, wordt in de economische theorie deze markt vaak opgevat als een markt van volkomen concurrentie. Vraag en aanbod bepalen de prijs (loon) en de hoeveelheid (werkgelegenheid). De veronderstelling is dan dat arbeid homogeen is en de arbeidsmarkt transparant. Dat is bij benadering waar voor deelmarkten binnen de arbeidsmarkt, zoals de markt van ongeschoolde arbeid of de markt voor leerkrachten in het basisonderwijs.

 

De lijn van het aanbod van arbeid geeft een beeld van de leveringsbereidheid van de werknemer. Naarmate het loon hoger is, zullen meer mensen bereid zijn arbeidskracht te leveren.

De lijn van de vraag naar arbeid is een weergave van de betalingsbereidheid van de werkgever. Naarmate het loon hoger is, zullen werkgevers minder bereid zijn werknemers in dienst te nemen, omdat de productiviteit van de werknemer dan lager kan zijn dan het loon.

Zolang de gevraagde hoeveelheid arbeid afwijkt van de aangeboden hoeveelheid arbeid zal het loon zich aanpassen. Dit aanpassingsproces, ook wel het prijs- of marktmechanisme genoemd, zorgt ervoor dat vraag en aanbod op de arbeidsmarkt aan elkaar gelijk worden.

Grafisch gezien vindt er zowel langs (over) de vraaglijn als langs (over) de aanbodlijn een verschuiving plaats.

We hebben tot nu toe verondersteld dat vraag naar arbeid en aanbod van arbeid alleen afhankelijk zijn van de hoogte van het loon. In werkelijkheid zijn er ook andere factoren die vraag en aanbod op de arbeidsmarkt beïnvloeden. Als deze factoren veranderen, verschuift de vraaglijn of de aanbodlijn naar links of naar rechts.

 

 

 

Hoofdstuk 3 Marktverstoring door overheidsingrijpen

Kennen

maximumprijs=Een door de overheid bepaalde prijs met als doel de consument te beschermen.
welvaartsverlies=De afname van de welvaart, veroorzaakt door de afname van het aantal transacties.
Harberger-driehoek=De driehoek die de afname van het surplus weergeeft.
minimumprijs=Een door de overheid bepaalde prijs met als doel het aanbod te behouden en een redelijk inkomen voor de producenten.
minimumloon=een door de overheid vastgesteld loon wat je minimaal moet krijgen voor het bepaalde werk wat je verricht
productiequotum=De maximale hoeveelheid die van een product geproduceerd mag worden.
indirecte belasting=Een kostprijsverhogende belasting.
prijsverlagende subsidie=Subsidie van de overheid aan de producent waardoor hij de prijs van zijn product kan verlagen
afwenteling=Het geheel of gedeeltelijk doorberekenen van een heffing in de consumentenprijs.

 

Kunnen

motief noemen voor het instellen van een maximumprijs

Om de consument te beschermen voor:

bijv. een monopolie die mensen zoveel als zij willen laten betalen

grafisch + algebraïsch de gevolgen op de gevraagde en aangeboden hoeveelheid analyseren v/d instelling van een maximumprijs

https://www.youtube.com/watch?v=_L1fmiXEEaA

 

effect op het surplus analyseren van een maximumprijs en dit grafisch + algebraïsch  onderbouwen

https://www.youtube.com/watch?v=_L1fmiXEEaA

https://www.youtube.com/watch?v=cLrDSMfqZuY

 

 

uitleggen welk aanvullend beleid nodig is na het instellen van een maximumprijsde belastingbetaler zal meer geld moeten betalen omdat de overheid nu toezicht moet houden op deze maatregelen
motieven noemen voor het instellen van een minimumprijs en een minimumloonDe mensen die deze bedragen ontvangen hebben het meestal niet zo breed, waardoor het voor deze mensen prettig is dat de massa ze een beetje helpt
grafisch en algebraïsch de gevolgen op de gevraagde en aangeboden hoeveelheid analyseren van de instelling van een minimumprijs en een minimumloon

https://www.youtube.com/watch?v=FEdKWQwgMZY

 

het effect op het surplus analyseren van een minimumprijs en dit grafisch en rekenkundig onderbouwen

https://www.youtube.com/watch?v=FEdKWQwgMZY

https://www.youtube.com/watch?v=cLrDSMfqZuY

 

uitleggen welk aanvullend beleid nodig is na het instellen van een minimumloonOok nu zijn de belastingbetalers weer de dupe want er moet meer controle komen naar werkgevers of zij zich aan de regels houden
met behulp van een Harberger-driehoek herkennen hoe welvaartsverliezen ontstaan en dit grafisch en rekenkundig onderbouwen

https://www.youtube.com/watch?v=eZxwZLZeYPs

 

kenmerk noemen van een indirecte belasting en er voorbeelden van geven

Indirecte belastingen zijn door de overheid belastingen die al bij de prijs van een bepaald product zijn inbegrepen, dus op indirecte wijze worden geheven. Bijvoorbeeld:

– accijns

– btw (=Omzetbelasting)

– Milieubelastingen

– Motorrijtuigenbelasting

– Belastingen van rechtsverkeer

– BPM

– Bankbelasting

– Verhuurdersheffing

met voorbeelden uitleggen welke invloed belastingen en subsidies hebben op de verdeling van het consumentensurplus en producentensurplus en uitleggen hoe afwenteling hierbij een rol speelt en dit grafisch en rekenkundig onderbouwen

https://www.youtube.com/watch?v=tFJR-15fQPE

https://www.youtube.com/watch?v=5GvhUfiMPAY

 

 

 

 

 

 

Kennen

marktmacht=Het vermogen om prijzen te beïnvloeden.
prijsdiscriminatie=Producenten vragen verschillende prijzen vragen aan verschillende groepen consumenten voor hetzelfde product. Dit kan alleen als de deelmarkten strikt gescheiden zijn.
kartel=Aanbieders maken onderling afspraken met als doel de concurrentie te verminderen.
fusie=Bedrijven voegen de bedrijven samen tot 1 bedrijf
overname=sterk bedrijf koopt een zwakker bedrijf op, meestal door meer dan de helft van de aandelen op te kopen.
octrooi=Het alleenrecht op het commerciële gebruik van een uitvinding.
wettelijk monopolie=Een producent heeft door een patent of octrooi het alleenrecht op de productie van een goed of dienst.
asymmetrische informatie=De ene partij beschikt over meer informatie dan de andere partij.
averechtse selectie=Alleen mensen met een verhoogd risico (‘slechte risico’s’) gaan zich verzekeren, omdat voor voorzichtige of risicomijdende mensen (‘goede risico’s’) de kosten van verzekeren hoger zijn dan de verwachte uitkering.

 

Kunnen

gevolgen van machtsvorming bij de aanbieders voor het totale surplus en de surplusverdeling grafische analyseren

https://www.youtube.com/watch?v=54fhSZaCDro

 

gevolgen van prijsdiscriminatie voor de prijs, het totale surplus en de surplusverdeling– producenten zouden het gehele surplus kunnen toe-eigenen met prijsdiscriminatie
met voorbeelden uitleggen wanneer, waarom en op welke wijze het voor producenten voordelig is prijsdiscriminatie toe te passen en dit grafisch onderbouwen

– Wanneer je niet het hele consumentensurplus in handen hebt en dit wel wil

– waarom: hierdoor gaat je winst omhoog

– je kan het beste toepassen niet door mensen een extra prijs op te leggen maar door nieuwe groepen te bevoordelen en de hogere betalingsbereidheid van sommige te benutten.

 

https://www.youtube.com/watch?v=54fhSZaCDro

 

belang beschrijven dat welvaartseconomen en overheden hechten aan concurrentiegroot belang. De overheid wil juist concurrentie omdat dit ervoor zorgt dat de consument niet teveel betaald. Welvaartseconomen zijn ook voor concurrentie want wanneer bedrijven zich hiervan losmaken ontstaat er een welvaartsverlies
manieren noemen waarop overheden concurrentie trachten te waarborgen

– door kartelvorming tegen te gaan

– wettelijke monopolies een tijdslimiet te geven

– zorgen dat bedrijven niet zomaar kunnen fuseren/overgenomen worden zodat het een monopolie wordt

nadelen volledige concurrentie

– homogeniteit van de producten (één type spijkerbroek)

– gebrek aan innovaties

kenmerken van een wettelijk monopolie

– Een wettelijk monopolie ontstaat doordat de overheid de voortbrenging van een bepaald product opdraagt aan één bepaald bedrijf.

– Ook is het mogelijk dat de productie door particuliere bedrijven is verboden.

– maximaal 20 jaar het alleenrecht

– leidt tot welvaartsverlies

 

Vb.= leidingwaterbedrijven en gasdistributiebedrijven

uitleggen welke afweging de overheid moet maken om wel of niet in te grijpen bij machtsvorming op de marktoverheid moet zorg dragen voor haar burgers tegelijkertijd wil zij innovaties, economische bloei en tevreden ondernemers.
uitleggen dat de overheid met behulp van toezichthouders op verschillende markten kan optredenDoordat de overheid meerdere mensen in dienst heeft kunnen zij tegelijkertijd op verschillende markten toezicht houden
uitleggen dat innovatie marktmacht oplevert

Wanneer je een nieuw product op de markt brengt kun je hier een octrooi voor aanvragen hierdoor ben je dus verzekerd van marktmacht.

Daarnaast heb je met een nieuw productie op voorhand nog geen concurrenten waardoor je in het begin sowieso marktmacht hebt

effecten van octrooien en patenten op marktgedrag en marktresultaat beschrijvenDoor octrooien zal de welvaart afnemen maar zal er wel innovatie zijn
aantonen in welke situaties er sprake is van asymmetrische informatie en bepalen hoe partijen daarop inspelenWanneer een verkoper meer weet van het product dan degene die het product koopt kan de verkoper als het slim doet de koper een miskoop verkopen.
uitleggen dat asymmetrische informatie de transactiekosten verhogenHierdoor moet je nagaan wat het product dat je wil kopen precies is en hoe het zou moeten werken, dit kost tijd.
aantonen in welke situatie er sprake is van averechtse selectieWanneer alleen de mensen met een verhoogd risico gaan verzekeren, omdat voor voorzichtige of risicomijdende mensen de kosten van verzekeren hoger zijn dan de verwachte uitkering.

 

Economie Samenvatting Mobiliteit, Economie Samenvatting Mobiliteit, Economie Samenvatting Mobiliteit, Economie Samenvatting Mobiliteit, Economie Samenvatting Mobiliteit, Economie Samenvatting Mobiliteit,Economie Samenvatting Mobiliteit Economie Samenvatting Mobiliteit, Economie Samenvatting Mobiliteit, Economie Samenvatting Mobiliteit, Economie Samenvatting Mobiliteit, Mobiliteit Samenvatting, Mobiliteit Samenvatting, Mobiliteit Samenvatting, Mobiliteit Samenvatting, Mobiliteit Samenvatting, Mobiliteit Samenvatting, Samenvatting Mobiliteit, Samenvatting Mobiliteit

Geef een reactie