Management en Organisatie Marketing en Logistiek Samenvatting

 

Management en Organisatie (M&O)

Marketing & Logistiek Samenvatting

Luc Repriels

Huib Stoffels

VWO

Uitgevrij Stoffels

Druk: Ergon Grafimedia, Eindhoven

Tweede Druk 2010 (versie 2013)

 

Hoofdstuk 1 Communicatie en Organisatie Samenvatting

Doelgericht samenwerkingsverband:

  • Communicatie= uitwisselen: gedachten, gevoelens, ideeën en informatie tussen mensen
    • Interne communicatie: M.b.t. werk en niet-m.b.t. werk
    • Stakeholders (“buitenwereld”):
      • : Leveranciers, distributeurs, geldverschaffers, overheid, klanten, etc.
KernBewuste + systematische zorgBevorderen verkoop
=Op het elkaar afstemmen van instrumenten zodat door communicatie een positief imago ontstaat

–          doelgroepen= groepen waarop organisatie zich richt

–          publieksgroepen= groepen → reageren op organisatie (wnf, Greenpeace, etc)

  • Corporate Communication          Marketing
  • Positioneren= verwerven → gunstige positie → brein v/d doelgroep
    • Subcategoriseren= toevoegen van een nieuw kenmerk waardoor een nieuwe categorie ontstaat in het brein v/d klant
  • ZMBO-MODEL: Communicatie=
    • Zender met bedoeling 1/meer ontvangers een boodschap te brengen
      • Dit doet de zender met een medium
        • Taal, spraak, beeld
      • Reageert de ontvanger → dan is er feedback
      • Reageert de zender op de feedback → dan is er terugkoppeling
    • Communicatie verstoren
      • Coderen=gedachten omzetten in code | decoderen=interpreteren→ boodschap
      • Interne ruis= tussen zender + ontvanger | externe ruis= van buiten (tv/muziek)
    • Communicatie bevorderen → redundantie (overtollige informatie→ vb. herhalen boodschap)
    • Verschil non/verbalen communicatie= non-verbalen → niet direct reageren
  • Corporate communicatie= bewuste + systematische zorg voor goede betrekking v/d onderneming
    • Beheersbare factoren                                           indirecte ervaringen

–          Ervaringen

–          Prijs

–          Etc

–          Optreden v. actiegroepen
  • Bedrijf → meerdere imago’s (personeel, klanten, etc.)

 

 

 

 

  • Identiteit volgens Birkigt + Stadler:
    • Corporate identity mix=
      • Persoonlijkheid
        • Mensen die er werken, doelstelling, organisatiecultuur/structuur, etc.
      • Symboliek
        • Beeld v/d organisatie (logo, gebouw, kleding, huisstijl(corporate design), etc.)
        • Communiceren met beelden
      • Communicatie
        • Bedrijf zich presenteert
      • Gedrag
        • Omgang (werknemers, klanten, oplossen problemen)

 

doelstelling= missie + kernwaarden( =belangrijkste punten v/h bedrijf)

 

  • Imago                                                         Identiteit
hoe organisatie is voor ’t publiekwat organisatie wil zijn
  • Identiteitsstructuren (kunnen ook worden gecombineerd)
    • Branded identity = individuele merknaam (unilever)
      • Voordeel: merk misloopt → weinig effect moederbedrijf
      • Nadeel: merk niet meeprofiteren → moederbedrijf
    • Endorsed identity= merknaam gekoppeld aan concernnaam
      • centraal beheer achmea, zilveren kruis achmea, etc.
      • Voordeel: merk wel meeprofiteren → moederbedrijf
      • Nadeel: merk misloopt → meer effect moederbedrijf
    • Paraplumerknaam = naam v. moederconcern (Philips)
      • Voordeel: merk meeprofiteren → moederbedrijf
      • Nadeel: product misloopt → meer effect moederbedrijf
    • Logo bestaat uit: woordmerk + beeldmerk
    • Corporate identity= totale identiteit
    • Positioneren= geheel van acties van merk → bepaalde positie te realiseren in het brein v/d doelgroep
    • Categoriseren= essentiële en effectieve manier → informatie verwerven/opslaan
      • Gevolg is dat de klant zich heeft ingesteld en bepaalde verwachtingen heeft. Hier moet verkoper op in spelen
    • Subcategorisatie=
      • Bedrijf kan subcategorie aanbrengen: onttrekken aan concurrentie omdat product anders is dan de andere producten
      • Mens kan subcategoriseren: nieuwe informatie wijkt af van wat bekend is hierdoor vinden mensen het afwijken van de categorie in hun hoofd en maken ze onbewust een subcategorie aan

 

 

 

Hoofdstuk 2 Marketing

Algemeen

  • Marketing/verkoopbeleid= doelstelling halen d.m.v. potentiële afnemers tegemoet te komen
  • 4P’s:
    • Prijs
      • winst→ prijs psychologie
        • Afroompolitiek= nieuw product eerst met een hoge prijs op de markt brengen zodat de snobs (mensen die graag pronken) het kopen en daarna de prijs toegankelijk maken voor het grote publiek
          • Voorwaarde om concurrentie voorkomen:
            • Elke prijsklasse moet voldoende afnemers zijn
            • Korte termijn geen concurrentie mogelijk zijn
            • Investeringen moeten snel worden terugverdiend
          • p.v. €2,- klein gedrukt→ €1,95 groot met de hand geschreven
        • omzet
        • Verbetering continuïteit
        • Ontmoedigen potentiële concurrenten
          • Penetratiepolitiek= ondernemer brengt nieuw product op de markt maar houdt verkoopprijs vanaf het begin laag waardoor toetreden onaantrekkelijk is
        • “verslaan” bestaande concurrenten
          • Schaalvoordelen → rabat/omzetbonus (=korting bij afnemen grote hoeveelheden)
        • Product
          • Productmix= combinatie productkenmerken
          • Distributiemerken/detaillistenmerken
          • Goods
            • Convenience goods: producten die dagelijks gekocht worden
            • Shopping goods: spullen waarbij beter op kwaliteit/prijs verhouding zal letten (schoenen)
            • Specialty goods: spullen niet regelmatig gekocht worden → consument zal zich max inspannen om de juiste koop te krijgen
          • Promotie
            • Individuele reclame= reclame door 1 onderneming
            • Collectieve reclame= reclame door meerdere ondernemingen
            • Actiereclame= tijdelijke reclame
            • Themareclame= reclame over langere periode
            • Ideële reclame= reclame waarbij je het gedrag van de consument wil beïnvloeden
          • Plaats
            • kanalen
              • Korte= via detaillisten
              • Lange= via detaillisten + groothandelaren (=grossiers)
            • Distributie
              • Selectieve= alleen bepaalde detaillisten mogen verkopen
              • Exclusieve= dat één bepaalde detaillist mag verkopen
            • Push/pull
              • Pullstrategie= gericht op consument die bij detaillist om het product gaat vragen
              • Pushstrategie= gericht op detaillist die door de kortingen en acties het product wil gaan verkopen
            • Marktaandeelbedrijf= (afzet bedrijf) / (totale afzet) x 100%
              • *Afzet kan ook worden vervangen door omzet
            • Niet-commerciële bedrijven:
              • Steeds vaker marketing
                • Charitatieve instellingen (Unicef, WNF, etc.)
                • Onderwijs
                • Politieke partijen

 

Omgevingsfactoren

  • Geen invloed
    • Demografische ontwikkeling (opbouw bevolking (sterfte-/geboortecijfers))
    • Stand v/d techniek
    • Economische ontwikkeling
    • Wetgeving
      • Wet Productaansprakelijkheid: stelt verkoper aansprakelijk bij product schade
      • Wet Economische Mededinging: verbied verticale prijsbinding ( =leveranciers mogen geen verkoopprijs verplichtten
      • Wet Misleidende Reclame: Stelt ondernemer aansprakelijk voor schade door misleidende reclame
    • Cultuur (=geheel: kennis, overtuiging, kunst, wetten, normen en waarden, gewoonten voor een groep)
  • Wel invloed
    • Gedrag van afnemers
      • Type afnemer
        • Consumenten
      • Prijs
        • Product
          • Prijsdifferentiatie= product in de ogen van de consument net iets te veranderen waardoor je verschillende prijzen kan vragen (het product kan in feite hetzelfde zijn; maar andere naam, tijden, maanden kunnen voor verschil zorgen)
        • Andere producten
          • Substituut (vervangbaar)
          • Complementair (aanvullend)
        • Inkomen
        • Behoeften
          • Fysieke (spullen→ direct kan kopen (eten, kleding))
          • Psychische (sociale behoeften (bescherming, veiligheid)
            • Bepaald door: omgeving, cultuur
          • Gedrag Concurrenten
            • Groot deel: Bepaald door marktvorm
          • Verandering afzetkanalen

 

 

Marktsegmentatie (=opdelen van markt)

  • Kenmerken die afnemers gelijk hebben
    • Demografisch
    • Sociaaleconomisch (inkomen, beroep, opleiding)
    • Gedrag
  • Gedifferentieerde marketing=
    • onderneming op meerdere segmenten richt
    • apart marketingbeleid → elk segment
  • ongedifferentieerde marketing=
    • marketing op totale markt gericht (niet op elk segment)
  • Resultaat: concretiseren
    • Marktsegmentatie zorgt voor kleinere dus ook makkelijker haalbare doelen te schetsen → wat het doel dus concreter maakt

 

 

Hoofdstuk 3 Logistiek

Logistiek = integrale goederenstroombeheersing door afstemming en coördinatie van logistieke activiteiten

  • Integraal= beheersen → goederenstromen + informatiestromen→ inkoop tot verkoop
    • Plannen, uitvoeren, registreren bijsturen
    • Orderbonnen, werkopdrachten, planningen, transportbonnen
  • Aanvoer, doorvoer, afvoer (logistiek)
    • Materials management
      • Inkooplogistiek
        • Inkoop, transport, ontvangst, opslag → invloed → voorraden, servicegraad, aanvoertijden, kosten
          • Optimale bestelgrootte in optimale situatie
            • Totale Kosten voorraad + bestellen laagst
              • Afname constant en bekend
              • Levertijd stipt
              • Bestelkosten constant en bekend
              • Kosten voorraad constant en bekend
            • Formule Camp in de optimale situatie:

 

  • Q= hoeveelheid per bestelling
  • D = vraag
  • Cb= Kosten per bestelling
  • Cv= voorraadkosten (per stuk)
  • Kosten waardoor niet elke bestelgrootte optimaal is:
    • Rentekosten (geïnvesteerde vermogen)
    • Opslagkosten
    • Risicokosten (waarde mindering voorraad)
  • Productielogistiek
    • Kosten en later de service kunnen lijden als volgende zaken in het productie proces niet goed geregeld worden
      • Bewerkingstijden= de productietijd
      • Doorlooptijd= aanvang van productie tot wanneer product klaar is. (bewerkingstijd + wachttijd in productieproces = doorlooptijd)
      • Hoogte voorraden
      • Omsteltijden= tijd machine/werkplek is omgebouwd.
        • wanneer verschillende producten in dezelfde kamer gemaakt moeten worden.
      • Interne transport
      • Grootte assortiment
        • Wanneer je veel verkoopt zal het meer tijd kosten om alles voorradig te hebben dan wanneer je een minder verschillende soorten producten verkoopt.
      • Laden, vervoeren, afleveren(, terugnemen)
        • Distributielogistiek / fysieke distributie
          • =proces → product naar de klant
          • Distributiebedrijven = handelsondernemingen
          • Schakels: producenten, importeurs, distributeurs, grossiers, detaillisten
          • Kosten:
            • Transport, Opslag, Interest, Verwerking, administratie
          • Verzendingsbegrippen:
            • waardedichtheid= waarde per kubieke meter
            • verpakkingsdichtheid= aantal per kubieke meter
        • Reverse logistiek
          • =Retourstromen te verwerken
        • Voorbeelden
          • Supermarkten nadruk → inkooplogistiek + fysieke distributie
          • Productiebedrijven (1e nadruk → productkwaliteit, 2e) nadruk → materials management
          • Handelsondernemingen nadruk → inkooplogistiek

 

  • Meten
    • Externe logistieke prestaties / customer serviceniveau / logistieke servicegraad
      • Leverbetrouwbaarheid
      • Levertijd
      • Flexibiliteit (inspelen nieuwe wensen klanten)
    • Interne logistieke prestaties
      • Logistieke kosten (transportkosten, voorraadkosten)
      • Benutting → capaciteit
      • Vraag naar producten in voorraad
      • Doorlooptijd
    • Perfecte logistieke servicegraad: winst en gewenste servicegraad

 

Opzet v. productiebedrijf bepaald door samenstelling product.

Productie methode:

  • Stroomvormen:
    • Divergente productie
      • Constante stroom goederen
      • Laatste fase proces opgesplitst
        • Zuivel → opgesplitst in melk, yoghurt, etc.
      • Seriële productie
        • Verschillende producten
        • Omstellen machines
          • Tijdelijk geen productie
        • : krantenpers
      • Convergente productie
        • Samengestelde producten
        • : auto, tv productie

 

 

 

 

  • Regelmaat v/d stroom:
    • Continu productie
      • Voortdurend in bewerking
      • Lijnopstelling
      • Weinig/geen tussenvoorraad
    • Functionele fabricage
      • Korte tijd in bewerking
      • Grote aantal naast elkaar
      • Machines → omgesteld worden
      • Voorraadvorming
    • Groepswijze productie
      • Groep mensen bepaalde afdeling → zelfstandig gehele product
    • Gerichtheid
      • Capaciteit gericht: wanneer mens-/machinecapaciteit duur is
      • Voorraad gericht: wanneer opslag/transport hoge kosten zijn
    • Op voorraad of order
      • Keuze :
        • afnemer voorspelbaarheid
        • product complexiteit
        • productieproces tijdsduur
      • Doelen
        • netjes reageren
        • beheersen levertijden
        • verlagen kosten (capaciteiten benutten, voorraad-/transport-/etc. laag houden, doorlooptijden verlagen)
      • Concepten
        • JIT (Just In Time) = precies op tijd leveren
          • Supermarkten
          • Bouwsector
          • productiebedrijven
        • TOC (Theory Of Constraints) = knelpuntentheorie
          • Betekend een onderneming wat de zwakste schakels continu verbeterd

Geef een reactie