Deel leesdossier Hieronymus van Alpen

Welke rol speelde Hieronymus van Alphen bij de opkomst van de kinderliteratuur in de 18e eeuw? [wie waren zijn voorbeelden?]

 

Voor de achttiende eeuw werd er in de literatuur nog geen scheiding gemaakt tussen kinderen en volwassenen. Toch werd er al wel de vraag gesteld over wat kinderen zullen lezen. Maar deze werd in die tijd nog heel anders uitgelegd, dan na de achttiende eeuw het geval was. De Fransman Michel de Montaigne (1533-1592) was de eerste die deze vraag aan de orde stelde. Maar hij vroeg zich niet af hoe je een kind zolang mogelijk jong kan houden, maar hoe je het juist zo snel mogelijk volwassen kan laten worden. In die tijd bestond nog geen kinderliteratuur en Montaigne had hier ook duidelijk geen behoefte aan. De kinderen kregen van hem meteen volwassen lees- en gespreksstof.

Toch werd er in die tijd al wel voor kinderen geschreven. Maar in al deze boekjes lag het accent toch op de wijze lessen die erin voorkwamen. Er werd dus nog geen duidelijk grens getrokken tussen kinderen en volwassenen.

 

In de tweede helft van de achttiende eeuw werd pas een duidelijke scheiding gemaakt tussen kinderen en volwassenen. Door de toegenomen belangstelling voor de pedagogie ging men zich meer richten op de behoeften van het kind en ging men meer nadruk leggen op de eigen aard van het kind. Door vernieuwde ideeën over opvoeding kwam de moraal in kinderboeken veel duidelijker op de voorgrond. De ontwikkeling van het kinderboek was erg afhankelijk van de burgerij die vanaf de zeventiende eeuw snel opkwam. Het wereldbeeld was in deze tijd gebaseerd op handel en geld. Hierdoor konden kinderen een langere opleiding volgen en kwam er meer aandacht voor hun opvoeding op school en thuis. De zin ‘mijn speelen is leeren, mijn leeren is speelen’ die uit het boek ‘Proeve van kleine gedigten voor kinderen’  van Hieronymus van Alphen komt, is kenmerkend voor de revolutionaire nieuwe opvoedkundige denkbeelden in die tijd.

De fransman Jean-Jacques Rousseau (1712-1778) wordt vaak als eerste in verband gebracht met deze denkbeelden. Hij schreef een utopische roman ‘Emile ou de l’écadution’ waarin hij al zijn pedagogische opvattingen uiteenzette. Hij zag een kind niet langer als een kleine volwassene en benaderde het dus ook niet meer zo. Hij probeerde een kind een eigen persoonlijkheid te geven, die verschilt van volwassenen. Hij pleitte voor natuurlijke opvoeding, een kind was volgens hem van nature goed.  Een volwassene moest niet proberen om een kind te snel op te voeden. Rousseau vond het boek ‘Robinson Crusoe’ het beste boek voor kinderen om te lezen. Dit boek leert een kind om zichzelf en andere dingen te ontdekken. Volgens hem is een kind volwassen als het 15 jaar oud is en kan dus op deze leeftijd begonnen worden met morele opvoeding.

Nederlandse pedagogen zijn naast Rousseau ook erg beïnvloed door de Engelsman John Locke (1632-1704). Locke vond dat niet de aanleg maar de ervaringen bepalen wie men wordt. De opvoeding diende volgens hem dan ook gericht te zijn op de vorming van deugdzame mensen. Een deugdzame opvoeding was dus het belangrijkst en deze moest gebaseerd zijn op eergevoel en overreding. Locke was van mening dat men al vroeg moest redeneren met kinderen, in tegenstelling met wat Rousseau vond. Kinderen moesten wel leren, maar dit moest spelend gebeuren, want kennis, in de zin van geleerdheid, was minder belangrijk dan deugd en wijsheid.

Typerend in deze tijd waren: ‘’kennis is deugd’’ en ‘’leren is spelen’’. Men dacht dat een kind via spel de wereld verkent en dat een kind het beste leert uit zijn eigen omgeving. Sprookjes werden voor kinderen verboden, maar de gedichtjes en verhalen met een moraal vond men een ideaal opvoedingsmiddel voor kinderen.

 

Spelend leren is dus een juiste naam voor de kinderliteratuur die in deze tijd ontstond. De eerste die een boekje maakte met voorbeelden van deugd erin, was Hieronymus van Alphen. In zijn boekje ‘Proeve van kleine gedigten voor kinderen’ (1778)  waren alle elementen van Lockes pedagogie aanwezig. In veel gedichtjes van dit boekje zit een moraal verstopt dat uit de mond van een kind komt. Ook wordt er in verschillende gedichtjes gewezen op Gods almacht, zijn wijsheid en zijn liefde. Daarnaast komen ook alle mogelijke deugden aan bod en schrikken van Alphen zijn modelkinderen niet terug voor een redenering.

 

Men zei in die tijd wel eens, het kind is kind geworden. Dit is in sommige opzichten waar, maar toch is er ook nog kritiek op deze uitspraak. Zo kan je bijvoorbeeld het boekje van Hieronymus van Alphen als voorbeeld nemen. De gedichtjes die in dit boekje voorkomen bezaten niet helemaal alleen maar kinderlijkheid. In deze gedichtjes lag de nadruk nog veel te veel op de deugd en op volwassen idealen. Zo kreeg van Alphen van verschillende mensen kritiek op zijn boekje. Kritiekpunten waren dat van Alphen tegen kinderen van zeven een toon aanslaat alsof ze het tegen volwassenen hebben en dat hij zich te veel laat meeslepen door zijn eigen vroomheid.

 

In 1780 publiceerde de Duitse pedagoog C.G. Salzmann een betoog over de opvoeding. Salzmann vindt dat als je kinderen tot deugd wil vormen, je hen beter niks kan geven dan verhalen over goede kinderen. Vaak is het namelijk zo dat kinderen alles wat ze van anderen zien, onmiddellijk nadoen. Hij stelt een paar eisen aan de kinderliteratuur. Ten eerste vindt hij dat kinderen die in verhalen voorkomen, precies zo moeten handelen zoals men wil dat kinderen doen. Daarnaast moeten de personages in de verhalen herhaaldelijk in omstandigheden terecht komen waarin zij in wezenlijke waarde van dingen beseffen. Ook moeten de personages soms in hun beoordelingen en handelingen falen, want hier zouden kinderen ook van kunnen leren. Zo had Salzmann nog een paar eisen die volgens hem belangrijk waren en zeker in een kinderboek terug moesten komen.

 

Toch waren er ook mensen die andere eisen stelden aan de kinderliteratuur. Een voorbeeld is de Nederlandse schrijver Busken Huet (1826-1886). Huet vindt dat in kinderboeken best een moraal mag zitten, maar deze moet zo geformuleerd zijn, dat het kind dit zelf in het verhaal kan ontdekken. De dichter kan dus best moraliseren, maar dit moet hij dan wel met enige omzichtigheid doen. Hij moet de goede toon weten te treffen en geen afbreuk doen aan het poëtische gehalte van zijn werk.

 

De eerste die een afgerond beeld van de opvattingen over kinderliteratuur gaf was P.A. de Genestet (1829-1861). Hij baseerde zijn opvattingen niet op één speciaal boek, maar stelde het kinderboek in het algemeen aan de orde. De Genestet was van mening dat aan kinderliteratuur hoge eisen gesteld moet worden. Je bent volgens hem niet zomaar kinderdichter. Een kinderdichter moet namelijk vele gaven in zich verenigen. Hij moet in de eerste plaats de taal beheersen. Hij moet op kinderlijke, maar tegelijk ook dichterlijke manier schrijven. Het moet bijvoorbeeld niet te deftig en niet te wijs zijn, maar toch weer niet te kinderachtig. Hij moet dus een goede middenweg vinden kunnen vinden voor de manier waarop hij aan kinderen schrijft. Ook moet hij de natuurlijke toon weten aan te slaan zodat hij kinderen raakt. Daarnaast moet hij natuurlijk toon weten aan te houden. Hij moet met ze kunnen spelen, maar ze ondertussen ook wat kunnen leren, zonder dat de kinderen door hebben dat ze wat leren.

De Genestet heeft op basis van deze eisen kritiek gegeven op het werk van Van Alphen. Hij vindt namelijk dat Van Alphen te deftig spreekt en hierdoor de kinderen dus niet op de goede toon aanspreekt. De Genestet noemt hem in één woord dus onkinderlijk.

 

In de tweede helft van de negentiende eeuw krijgen veel mensen nieuwe opvattingen over kinderliteratuur. Er wordt ook wel gesproken over de tweede ontdekking van het kind. In deze tijd werd er minder nadruk gelegd op wat het kind moest worden, maar juist meer op wat het al is. Er werden nu hogere eisen gesteld aan de kinderlijkheid en het literaire gehalte in kinderboeken. Maar dit hoeft de pedagogische idealen niet in de weg te staan. Er is nog wel ruimte voor een moraal, maar de schrijver moet hiervoor wel de juiste toon weten te treffen. De opvoeder dient voortaan meer te leiden dan te vervormen. Hieruit spreekt een nieuw, romantisch opvoedingsideaal, waarin de natuur de plaats heeft ingenomen die in de Verlichting voor kennis en inzicht was gereserveerd.

 

http://www.literatuurgeschiedenis.nl/lg/18de/literatuurgeschiedenis/lg18013.html

http://www.dbnl.org/tekst/alph002klei01_01/alph002klei01_01_0075.php

http://www.kb.nl/dichter-op-het-scherm/dichters-uit-het-verleden/hieronymus-van-alphen-1746-1803

http://dbnl.nl/tekst/buij001nede02_01/buij001nede02_01.pdf

http://www.bibliotheek.nl/thema/opvoeding-en-onderwijs/opvoeden-met-jeugdliteratuur/15959.geschiedenis-jeugdliteratuur.html

 

Geef een reactie